Wees voor altijd jong

Moge God’s zegen je altijd bewaren.
Moge uw wensen allemaal uitkomen.
Mogen jullie altijd voor anderen doen wat anderen voor u doen.
Moge je een ladder naar de sterren bouwen
En elke sport bestijgen
Mogen jullie blijven
Mogen jullie voor altijd jong blijven
Mogen jullie blijven
Moge je opgroeien tot een rechtvaardige
Moge je opgroeien om rechtuit te worden
Moge je altijd de waarheid weten
Moge je de lichten om je heen zien
Moge je altijd moedig zijn
Sta rechtop en wees sterk
Mogen jullie blijven
Mogen jullie voor altijd jong blijven
Mogen jullie blijven
Maar blijf voor altijd jong
Moge uw handen altijd bezig zijn
Moge uw rust verdiend zijn
Moge uw Kerst zalig zijn (*)

(*) Geïnspireerd door “Jeune Pour Toujours” (Bob Dylan)

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Als arts is het prettig nodig te zijn

Het is half acht. Ik drink koffie en neem de ochtendkranten door. Ik lees een artikel over een arts die aan een burn-out toe is. Hij vindt het toch zo erg dat hij er niet kan zijn voor zijn patiënten. Als arts is het prettig om nodig te zijn.

‘Om het verschil te maken in het leven van een ander,’ lees ik bij dr. Emma Bruns, chirurg in opleiding. ‘We geloven samen, artsen en patiënten, in een sprookje, waarbij ridders prinsessen redden van boze monsters.’ Tien kilometer verder, in een kamer op drie hoog, vecht de dochter tegen de monsters. Die monsters zijn draken noch bandieten, het zijn resistente bacteriën die niet verslagen kunnen worden door één dappere dokter. Daar heb je een heel team voor nodig. Zij lijdt aan een plaag. En daar heb je overstijgend inzicht voor nodig. De hulp van een computer zou bij de analyse van de weefselstalen welkom zijn. Hij neemt alle beschikbare kennis tot zich en kan er dan zinvol advies mee verstrekken. De computer heeft nooit een burn-out.

Het duurt al een maand nu dat er aan het been van de dochter getrokken wordt. Het rotsvaste geloof heeft eerst plaats gemaakt voor hoop. Dan kwam de twijfel. Ik hoop dat het bij twijfel blijft.

Ik ken dokters die alleen maar voor de kennis en wetenschap arts geworden zijn. Ik ken er die het omwille van het prestige doen. Er zijn er die van vader op zoon dokter geworden zijn. Er zijn idealisten bij die absoluut de mens beter willen maken. En er zijn erbij die door de ervaring van jaren stoïcijns doorgaan. Sommige artsen die ik ken, hebben eigenlijk een hekel aan patiënten, maar ze doen het voor het inzicht dat ze verwerven. Het zijn de literatuurliefhebbers van de geneeskunde. En sommigen doen het voor het geld.

Zoals die arts die me tussen neus en lippen vertelde dat hij nooit zou instemmen met in de voorgestelde netwerkplannen van de minister een verdoken poging ziet om van alle artsen ambtenaren te maken. Dat dit volslagen nonsens is kan er bij hem niet in. Dat zit rotsvast in zijn verstand, zoals een rotte kies die zich niet trekken laat.

Aan zo’n iemand zou ik nog niet eens mijn ingegroeide teennagel toevertrouwen.

Het wordt een mooie dag, ik zie op de brug in de verte een file, en ik bel de dochter. Het blijft een dubbeltje op zijn kant, zegt ze. Wacht even: er wordt aan de deur gebeld. Een aangetekende brief. Een pakketje. Een factuur. Het leven gaat verder. Ik kom tegen het eind van de middag, zeg ik. Is goed, zegt ze. Ik loop niet weg.

De geleerde vrouw is wakker. De afdeling heeft haar zoals elke ochtend in de week wakker gebeld. Er zijn weer data uit het medicatiesysteem verdwenen. De computer laat dus toch steken vallen. “Een gelukkige verjaardag,” zeg ik. “Word ik niet te oud,” vraagt ze. “Je kan niet oud genoeg worden,” zeg ik. Beauty is in the eye of the beholder, citeer ik Margaret Hungerford. En ik denk dan onvermijdelijk aan Keats: “A thing of beauty is a joy forever.” Ik moet naar de kliniek, zegt ze. Het is als arts prettig om nodig te zijn.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

Niet mei ’68 maar september ’69

Ik lees in de voorbije dagen in nogal wat kranten verhalen over die roemruchte maand mei van het jaar 1968. Hier en daar een oud-strijder die Marcuse nog de hand geschud heeft, die praat over de “bezetting” van de aula, de gevechten met de rijkswacht. Leuven Vlaams, Walen Buiten, en andere obscene slogans zoals ‘Alle macht aan de arbeiders!’.

Kortom opgeblazen romantiek, auto-heroïsme van de hoogste Ikeaboekenplank, kortom leugens en halve waarheden. De geur van te lang gedragen ondergoed en ongewassen sokken, gedoofde Gauloises en verschaalde pils. Ik lees bij andere neoconservatieven dat mei ’68 door hormonen werd aangedreven. Ik ben bijna geneigd die stelling te geloven.

Mijn hormonen hebben me toen in een richting geduwd waar ik nu nog altijd in verder ga. Maar ook hier: Hineininterpretierung en Schadenfreude. Ik wil daar aan toevoegen dat de zogenaamde revolutie niet werd aangestoken op 3 mei 1968 maar op 25 januari 1959, een jaar na de Wereldtentoonstelling, toen Paus Johannes XXIII het Tweede Vaticaans Concilie bijeenriep. Dat ging van start in 1962 en duurde tot ’65.

Het wekte talloze verwachtingen in sloeg barsten in het verkalkte traditionele katholieke maatschappijbeeld dat in het Vrije Westen overheerste. Het luidde de tijd van de grote co’s: co-existentie, co-educatie, communicatie, coöperatie, copulatie. Het einde van de hegemonie van de rechterhand en de omzetting van het woord in de daad. Waarmee we bij de aanhef van ons verhaal van de dag gekomen zijn. Ik citeer in deze graag Jean-Pierre Le Goff : « Le mouvement soixante-huitard est un curieux mélange entre des aspirations hédonistes, libertaires et un bolchévisme avant gardiste qui a rejoué sous une forme caricaturale et dérisoires le fonctionnement des partis communistes « historiques » (léniniste, stalinien, maoïste) et des révolutions du passé. »

Ik vind 1968 maar niets. Het was het begin van een verschrikkelijke verspilling van talent en van heel wat misvattingen die tot op de dag van daag voortduren. Overigens is 1969 veel belangrijker. In 1969 merkte de hiërarcholoog Laurence Johnston Peter op dat mensen die goed zijn in hun werk vaak promotie maken.

Zij worden daarbij beoordeeld op de prestaties in hun huidige functie en niet op de competenties die nodig zijn voor hun nieuwe baan. Zo maken mensen die succesvol zijn net zo lang promotie tot ze op een functie komen die ze eigenlijk níét aankunnen en daar blijven ze dan de rest van hun carrière zitten. Een deprimerende gedachte maar de werkelijkheid. Peter formuleerde zijn principe kortweg zo: ‘In een hiërarchie stijgt elke werknemer tot zijn niveau van onbekwaamheid.’ Het zogenaamde Peterprincipe.

Het resultaat van vijftig jaar zogenaamde democratisering en Peterprincipe in de geneeskunde is rampzalig. Volgens mij waren we tot bij de vorige legislatuur terug bij AF, dat punt waar we altijd lijken uit te komen. Sinds mei ’68 –we kunnen om die verjaardag niet heen- werd Volksgezondheid door de twee politiek correctste partijen van dit land bestuurd: christendemocraten en socialisten. Het resultaat is een totaal ontspoorde consumptie, ziekenhuizen die balanceren op de rand van het faillissement, artsen die horendol worden van de administratieve bedilzucht en ziekenfondsen die sterker dan ooit zijn en die er alles aan doen om de patiënt onmondig te houden.

Allemaal de gevolgen van het Peterprincipe. Volksgezondheid werd en wordt nog bestuurd door cabinettards die gedropt worden op het niveau van onbekwaamheid. Alsof iemand die advies kan geven ook een goed bestuurder zou zijn.

Natuurlijk zult u zeggen dat onze organisaties lang niet meer zo statisch zijn, dat we nu een Selor hebben die het kaf van het koren kan scheiden, en dat in de politieke wereld van vandaag kandidaten voor promotie ook beoordeeld worden op de echte vaardigheden die nodig zijn voor hun nieuwe functie. Ik mag het hopen. Maar toch laten studies zien dat het Peterprincipe op allerlei plekken regeert.

Ik zou bijna voorstander worden van beruchte Dilbertprincipe: ‘De minst competente werknemers krijgen promotie naar een managementbaan, zodat ze niet te veel schade aanrichten op de werkvloer.’

Ik heb onlangs het Peter- én het Dilbertprincipe in de praktijk gezien. Het was op een groot evenement in een universitair ziekenhuis aan de rand van Brussel. Medisch België had zijn scherpste breinen en vernuftigste wetenschappers op een zonnige zaterdag daarheen gezonden om te brainstormen over de toekomst van onze medische wereld. Ik hoorde er de klassieke kreten als “De dokter moet meer patiëntgericht worden”, “De patiënt moet centraal staan”, “De patiënt moet kunnen kiezen”, of het slimste: “We moeten van een aanbod-gestuurde naar een vraag-gestuurde zorg.” Ik herkende deze toeters uit de ziekenhuizen en instituten die alleen bij gratie van de belastingbetaler overeind blijven. Over één zaak waren alle correct denkende eminenties en zelfverklaarde specialisten het eens: het rijk van “de arrogante dokter die het altijd beter weet” was uit.

De echo van ’68. Ik heb er vele Peters gehoord. Ik vond het van een grote arrogantie getuigen dat zij hun collega’s “arrogante” dokters durven te noemen. Ik ga verder: de vermeende arrogantie van de dokter in het verleden, die wel wist wat goed was voor de patiënt, heeft plaatsgemaakt voor de arrogantie van overheid en aanverwante instanties die nu menen te weten wat goed is voor de patiënt. En dat geloof ik nu net niet. Om het met de soixante-huitards te zeggen: Je suis Marxiste—tendance Groucho.

Ik zou dus volgend jaar festiviteiten willen organiseren rond de verjaardag van het Peterprincipe. Volgend jaar op 16 september vieren we de honderdste geboortedag van deze grote Canadees. Een andere belangrijke quote van hem is: “The noblest of all dogs is the hot-dog; it feeds the hand that bites it.”

The Peter Principle: Why Things Always Go Wrong. with Raymond Hull. ISBN 978-0061699061.   Ebook: ISBN-13 : 978-1312475489.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

MediQuality reikt drie Awards uit

The annual MediQuality price awardVrijdagavond 4 mei had de vierde Lenteborrel van MediQuality plaats in de stilaan vertrouwde omgeving van Brasserie Canal in Vilvoorde. Onze Lenteborrel begint een begrip te worden in de medische wereld. Dat bewijst dat MediQuality meer is dan een nieuwssite en een nieuwsbrief. We zijn een community. Een platform voor al wie betrokken is bij de reilen en zeilen van de zorgwereld.

Eregasten waren minister Maggie De Block, die voor de vierde maal dat bij de uitreiking van onze jaarlijkse lezersaward aanwezig was. Burgemeester Hans Bonte, en professor Marc Noppen, CEO van het UZ Jette.

Dit jaar reikten we voor het eerst een award uit voor de beste bijdrage van een jonge arts. We zijn blij te mogen vaststellen dat ook de nieuwe generatie artsen hard nadenkt en filosofeert over hun metier. Deze eerste award gaat dit jaar naar de zevende jaarstudent Jonas Brouwers.

Stagiair dr. Jonas Brouwers reageerde op een column van mijn hand met kritiek op “de verloren nieuwe generatie artsen”. De nieuwe generatie artsen heeft weinig zicht op de frontlijn en heeft geen interesse in een leidinggevende functie of laat die rol aan mensen zonder klinische opleiding, schreef ik. “Als zevendejaars student geneeskunde voel ik me onmiddellijk aangesproken”, zegt Jonas Brouwers. Hij is het niet eens met mijn titel. “Studenten geneeskunde raken meer en meer geboeid door de veranderingen in de gezondheidszorg en beseffen dat zij hier deel van uitmaken. Ze zijn betrokken in de veranderingen van de zorg en liggen wakker van onderwerpen waar de vorige generatie artsen nog niet aan dacht. Meer en meer bestuursorganen raken zo ook geïnfiltreerd door jonge gemotiveerde artsen, mét klinische ervaring. Soms tot ergernis van die oude generatie artsen.”

Jonas heeft gelijk. Ik hanteerde een hyperbool met de bedoeling de spirituele oorkussens eens op te schudden. Het is gelukt. Jonas is lid sinds 2017. Hij werd als winnaar geselecteerd voor de categorie ‘jong talent’ omdat MediQuality meer aandacht wil geven aan jonge artsen. Zijn bijdrage heeft meer dan 5.000 kliks heeft gegenereerd en 12 reacties. We kijken uit naar nog vele bijdragen.

Onze tweede laureaat is van een generatie ouder: Dr. Georges Otte, neuropsychiater in Gent. Hij is lid sinds 2002 en schreef in 2017 meer dan vijf bijdragen. Hij is fijn, geestig, ad rem en intelligent. De bijdrage waarvoor hij de prijs ‘beste bijdrage’ ontvangt raakt een teer punt aan. Ik citeer: ” Recentelijk is het tot nu toe zwaarste element ontdekt. De naam van het nieuwe element is Administratium (Ad). Administratium heeft geen protonen en geen elektronen en heeft dus atoomnummer 0. Het heeft echter 1 neutron, 125 assistent neutronen, 75 vice-neutronen en 111 assistent vice-neutronen, zodat de atoommassa 312 is. Omdat er geen electronen zijn, is Administratium inert. Administratium kan echter chemisch gedetecteerd worden, omdat het elke reactie vertraagt waar het mee in contact komt. Onderzoekers hebben gemeten dat een minuscule hoeveelheid Administratium een reactie kan vertragen tot meer dan vier dagen, terwijl dat normale tijd een kwestie van seconden is. Administratium heeft een halfwaarde tijd van ongeveer drie jaar.”

Onze bestuurders zullen het element zeker herkend hebben. Zijn bijdrage werd meer dan 3000x aangeklikt. Er kwamen 15 reacties. Zelf postte hij 384 reacties gepost sinds hij lid is in 2002. Zijn reacties worden gewaardeerde door de andere lezers, ze zien hem als een autoriteit op de site. We hopen dat hij nog lang actief mag blijven en altijd zo onafhankelijk mag blijven denken.

De Franstalige winnaar dit jaar is dr. David Simon, huisarts in Mons. Hij riep op tot een staking tegen de invoering van het elektronisch voorschrift. “C’est avec enthousiasme que j’ai fait le choix, voici un mois, de prescrire des ordonnances électroniques. Aujourd’hui, j’ai décidé d’en revenir au papier.” Aldus dr. David Simon. “La raison de ce revirement est l’obligation surréaliste d’imprimer un code-barres sur une feuille de papier que le patient doit remettre au pharmacien. En clair, on va interdire la prescription sur papier tout en obligeant l’impression sur papier d’un code-barres. De qui se moque-t-on ? … » Hij is sinds 2002 lid en schreef in 2017 drie bijdragen. Dr Simon heeft 296 reacties gepost sinds hij lid is in 2002. Hij werd als winnaar geselecteerd omdat zijn bijdrage meer dan 5.000 kliks heeft gegenereerd en meer dan 45 reacties, zijn bijdrage positief en constructief bedoeld is en vele andere artsen heeft geïnspireerd en nog steeds actief is als huisarts in de regio Mons. Er ontspon zich een levendige discussie.

U weet dat MediQuality de controverse niet uit de weg gaat.

En dat onderscheidt ons van de anderen. Wij willen niet alleen reactief zijn en berichten over wat er gebeurt. Wij kiezen voor de proactieve weg. Wij zetten dingen op de agenda. Als het moet geven we kritiek. Als het goed is mag het ook gezegd. Wij laten zowel links als rechts aan het woord. Maar we hebben duidelijk een eigen, soms eigenzinnige mening. De minister erkende dit en onderstreepte het belang van een duidelijke opinie in de Media.

Op de avond was ook een flinke delegatie aanwezig van artsen in opleiding uit Noord en Zuid.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

The annual MediQuality price award  Medi q 48

 

Medi Q 3

Foto’s : © MediQuality

Waarom oudere kankerpatiënten niet in de krant komen

Ik zit op het terras in de bocht van de rivier en lees het zoveelste verhaal over een kind dat “het gevecht met kanker verloren heeft”. Ik heb een hekel aan die uitdrukking. Kanker is geen gevecht maar een ziekte. Maar straks meer daarover. Wat mij stoort is het feit dat ik de media voortdurend verhalen moet lezen over kinderen die aan kanker lijden, wat uiteraard zeer dramatisch is, maar zelden verhalen lees over de driekwart van alle kankerpatiënten die ouder zijn dan 60 jaar.

Als je een oudere volwassen kankerpatiënt bent, word je genegeerd door journalisten en hun mediakanalen. Het is een vorm van “jeunisme” , dat de media besmet heeft en maakt dat deze zich liever op jongeren richten.

Onderzoekers van de Universiteit van Glasgow hebben vastgesteld dat slechts 15% van de kankerverhalen in de media over mensen boven de 60 ging. En als het al gaat over een oudere patiënt dan ging het in 64% van de gevallen over beroemdheden met kanker, die doorgaans jonger dan 60 jaar waren.

De studie, die in de recentste versie van BMC Public Health werd gepubliceerd, analyseerde 800 krantenartikelen over de vier meest voorkomende kankers: borst-, prostaat-, long- en colorectale kanker .

Bijna één derde van die kankers wordt gecorreleerd met de toenemende leeftijd, waarbij een derde van alle kankers gediagnosticeerd wordt bij patiënten die ouder dan 75 jaar zijn. Uit de studie bleek echter dat leeftijd in slechts 12% van alle onderzochte artikelen als risicofactor werd vermeld en in slechts 2,5% van de artikelen werd besproken. Volgens Dr. Sara Macdonald, senior lector in de eerstelijnszorg aan de Universiteit van Glasgow, zorg dit gebrek aan informatie ervoor dat ouderen dit risico vaak onderschatten, zich minder vaak bewust zijn van de vroege symptomen en vaker in een laat stadium de diagnose kanker krijgen.

“Onze bevindingen zijn zorgwekkend want we weten dat de media een belangrijke invloed hebben op het begrip en de bewustwording van de gezondheidsproblematiek bij het grote publiek. Wie goed is geïnformeerd zal zich ook eerder laten screenen.” Uit de studie bleek ook nog dat buitensporig veel aandacht besteed wordt aan borstkanker, ondanks het feit dat longkanker verantwoordelijk is voor het grootste deel van de sterfgevallen.

Kanker is van een acuut drama dat onherroepelijk fataal afloopt geëvolueerd tot een ziekte die kan genezen worden, zo niet chronisch geworden is. De behandelingen worden steeds efficiënter. Maar nog efficiëntere is tijdige opsporing van kanker en preventie. De media kunnen daar een belangrijke rol in spelen.

En wat dat gevecht betreft: een gevecht gaat uit van de veronderstelling dat je je genezing in eigen hand hebt. Alsof als je maar hard genoeg ‘vecht’, de woekerende cellen als vanzelf weer in de pas gaan lopen. Wie dat gevecht verliest is iemand die ‘niet genoeg gevochten heeft’. Wie kanker overleeft is een held. Een oudere die kanker overwint is geen held. Een kind, een puber is dat wel. Ik ben niet de enige die het daar niet mee eens is.

Oncoloog Siddhartha Mukherjee van Columbia University, auteur van De keizer van alle ziektes: een biografie van kanker, noemt het idee dat je moet vechten tegen kanker consequent ‘smerig’. Je wordt als patiënt opgefokt met het idee dat genezing van jezelf afhangt, wat een fabeltje is. Het is een illusie dat je als patiënt de regie voert over je eigen ziekte. Als patiënt wil je niet vechten maar zijn. Je wil dat je omgeving naar jou luistert . En dat men jou met rust laat als je dat wil. Ik hou niet van dat competitieve vechten. Het is typisch fenomeen in de hedendaagse cultuur dat het individu oplaadt met een verantwoordelijkheid die hij niet aan kan.

Studies tonen aan dat patiënten die hun ziekte als ‘vijand’ zien, vaker last hebben van depressie en angst, een lagere levenskwaliteit en meer pijn hebben en dat ze slechter om kunnen met hun overhoop gehaalde leven. Onlangs is ook vastgesteld dat de verwachting dat ze vechten patiënten het gevoel geeft dat ze hun echte emoties moeten onderdrukken.

Schelto Kruijff oncologisch ­chirurg aan het Universitair Medisch Centrum Groningen schreef een paar jaar geleden een opgemerkt stuk in de NRC. Hij zegt dat de stress veroorzaakt door gedwongen optimisme slecht is voor het immuunsysteem en dus voor de ziekte. Kanker is een kwestie van pech of geluk. Meestal is er fysieke, emotionele, relationele, financiële, sociale of psychologische schade en wordt het leven nooit meer zoals voorheen.

Ik lees wat verder in de krant dat een collega 4 x 250 km gaat rijden “tegen kanker”. Met alle respect maar ik hou niet van dat opkomen tegen kanker. De uitdrukking alleen al maakt dat bij het brede publiek de vechtcultus overeind blijft. Bekende Belgen klimmen op de fiets en gaan 1000 km rijden. Het is een vorm van fondsenwerving die mij niet ligt. En bij de aankomst mogen de ‘vechters’ nog een ererondje rijden. Kruijff: “Het ‘doorknokken’ zorgt ook voor een tekort aan aandacht voor de mensen om de patiënt heen. Kanker treft niet alleen de patiënt maar ook de partner, kinderen en de familie.

Je bent samen ziek. In de vechtcultuur is geen ruimte voor acceptatie of denken over de toekomst. Nadat de strijd is verloren, rest er leegte. Tot slot impliceert het ‘vechten’ dat je zelf aan de knoppen draait maar dat is niet zo. Mensen met kanker overkomt van alles en hebben veelal een passieve rol. Zij worden behandeld en ondergaan de therapie. In het ziekenhuis zien we daarom weinig ‘gevechten’ plaatsvinden maar wel zieke, onzekere patiënten die zich overgeven en geen andere keuze hebben dan te vertrouwen op hun behandelaars.”

Het zou mooi zijn mocht dat ook eens in de media verschijnen. Maar meestal gaat het dus om 60-plussers. En die krijgen dus sowieso minder aan. Die doen geen kranten verkopen.

https://bmcpublichealth.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12889-018-5341-9

Marc van Impe

Bron: MediQuality

 

 

Een verzekeringsarts klapt uit de biecht

Van huisartsen en specialisten krijg ik vaak te horen: “De verzekeringsarts doet weinig of niets met de informatie die ik als behandelend arts met de patiënt meegeef.” Ook bij het Vlaams Patiëntenplatform en de LUSS, waarbij de verenigingen voor chronisch zieken en gehandicapten aangesloten zijn, hoort men vaak die klacht.

De arts verklaart de patiënt werk onbekwaam, de verzekeringsarts minimaliseert de ongeschiktheid en ontzegt de patiënt de uitkeringen die hem volgens de polis hadden moet worden toegekend. Vorige week nog belde de arts van een kaderlid van Proximus dat verzekeraar AG Insurance –de supporter van jouw leven- een patiënt die na 20 jaar hard werken, worstelt met een burn-out maar weer aan het werk moest.

En dat op basis een gesprekje van een kwartier met een psychiater die in deze graag mag optreden. Iedereen vindt dat dit moet veranderen, zowel patiënten, patiëntenverenigingen, werkgevers als artsen zijn de situatie beu. Maar als we de verzekeraar daarop aanspreken verschuilt die zich achter het medisch geheim en kan hij onmogelijk op een individueel geval ingaan. AG is niet de enige verzekeraar die in dit bedje ziek is. KBC, en Ethias, om maar een paar te noemen houden er dezelfde praktijken op na.

Als ik dokters hierop aanspreek blijkt hoe teer de verhouding tussen de behandelaar en de verzekeringsarts wel is. Zegt een revaldiatiearts: “Die verzekeringsartsen zijn geen specialisten, zeker niet op alle vakgebieden, laat staan dat ze met de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen bekend zijn, maar ze doen wel alsof ze het beter weten dan alle specialisten bij elkaar.”

Of nog: “De arts van de verzekeringsmaatschappij schermde met de richtlijnen van het Riziv zoals het hem uit kwam. Maar toen het Riziv zijn beleid bijstuurde vond hij dat niet evidence based en werd de patiënt in de kou gezet.” En een psychiater schrijft: “Ik adviseerde de patiënt, die actief was in een patiëntenbelangengroep, niet te gaan werken. Toch wou zij dat zelf wél, deeltijds als het kon. Maar toen ze dat aan de arts van de verzekering meldde, zei die dat als ze zich kon engageren in een patiëntenbeweging, ze ook terug aan de slag kon in het reguliere circuit.”

Uiteraard zijn de rollen van verzekeringsartsen enerzijds en behandelaars anderzijds echt verschillend. Wij spraken een verzekeringsarts die ons zelf contacteerde naar aanleiding van een eerder stukje: “Wij bespreken vooral lichamelijke en psychische klachten, niet om te bepalen hoe ziek iemand is of hoe de klachten verholpen kunnen worden, maar om te bekijken wat iemand ondanks de ziekte nog kan doen. Wij vellen dus geen oordeel over de behandeling of de zorgbehoefte van de patiënt, maar beoordelen wel de werkbekwaamheid van de patiënt op basis van eigen inzicht en van informatie van een huisarts of specialist. Wij zijn bij uitstek deskundigen op het gebied van arbeid en gezondheid. Met die kennis bepalen wij of iemand weer aan het werk kan en wat voor soort werk dat kan zijn.”

Een huisarts mag volgens hem tegenover de patiënt dan ook geen positie kiezen met betrekking tot het oordeel van de bedrijfsarts of de verzekeringsarts. “Een behandelend arts die daarover een andere mening ventileert dan de bedrijfsarts of verzekeringsarts, kan zijn patiënt daarmee in de problemen brengen. Het beste is dat de behandelend arts in dat geval direct contact opneemt met de verzekeringsarts om zijn standpunt nader toe te lichten.” Maar daar wringt hem de schoen. De verzekeringsarts beschikt niet over de voorkennis en heeft niet de vakkennis van de specialist of behandelend arts.

Deze kent de betreffende persoon goed. Hij redeneert meestal vanuit het medische model. Een anamnese en dan vragen als: waar zit de pijn? Straalt de pijn uit? Welke medicijnen gebruikt u? Kunt u tillen? En vervolgens bepaalt hij aan de hand van de antwoorden wat iemand qua werk nog aankon. Het is anders gezegd nogal nattevingerwerk.

De verzekeringsarts beoordeelt dus niet de functionele capaciteiten van de patiënt. Dit gezegd, de verzekeringsarts kan en moet het werk van de specialist niet over doen. Dat hij een beroep doet op derde specialisten die de patiënt amper zien, laat staan zijn dossier door en door kennen is niet alleen dubbel werk. Het is ook onzinnig werk. Want de stelling dat wiens brood men eet, diens woord men spreekt, gaat ook hier op.

Onze verzekeringsarts geeft dat toe: “Wij vinden vaak dat iemand met een beperking ‘meer’ kan. Voor ons is het glas altijd half vol. Als de specialist of huisarts hierover anders denkt, is dat een probleem. Hij heeft de neiging met de patiënt mee te gaan.” De nieuwe tendens is dat wie een beperking of aandoening heeft, recht heeft op aangepast werk, of op zijn minst op flexibiliteit. Zegt de verzekeringsarts: “Wij werken niet voor het arbeidsbureau. Een aangepaste baan vinden moet de patiënt zelf doen. Die kan zelf best bepalen hoeveel en wanneer hij werkt.”

Of hij zich daarbij iets kan voorstellen: een patiënt die zijn extra uitkering verliest, vaak op de minimum uitkering terugvalt en zijn plaats moet vinden op de arbeidsmarkt? Ik verwijs hem naar wetenschappelijke onderzoeksresultaten zoals gepubliceerd in British Medical Journal.(https://www.bmj.com/content/356/bmj.j14)

Daar staat in de conclusie klaar en duidelijk dat “Despite their widespread use, medical evaluations of work disability show high variability and often low reliability. Use of standardised and validated instruments to guide the process could improve reliability. There is an urgent need for high quality research, conducted in actual insurance settings, to explore promising strategies to improve agreement in evaluation of capacity to work.” Het gaat hier over een systematische review van 23 studies uitgevoerd in 12 landen.

In Nederland bestaat sinds 2005 het Kenniscentrum Verzekeringsgeneeskunde (KCVG) en internationaal is er het Cochrane Insurance Medicine (CIM). Bedoeling van het nieuwe ‘Cochrane-veld’ is niet alleen om verzekeringsartsen te helpen goede beslissingen te nemen op basis van wetenschappelijke kennis, maar ook om cliënten en patiënten met wetenschappelijke kennis te helpen in hun herstelproces. https://www.bmj.com/content/356/bmj.j14

Veel mensen schrijven ons ook dat ze het gesprek met de verzekeringsarts als onaangenaam ervaren. De arts stelt zich betuttelend op, laat zich negatief uit over de behandelende arts, toont geen empathie, begrijpt vaak niet waarover het gaat. En als men er niet uitkomt lokt men de patiënt in een zogenaamde minnelijke expertise die niet alleen kostelijk is maar ook jaren kan duren, en als de verzekeraar ongelijk krijgt –wat gebeurt- leidt tot een beroepsprocedure. Alleen assertieve patiënten die een stevige financiële basis hebben, kunnen die procedureslag aan.

Een paar weken later neemt de verzekeringsarts zelf opnieuw contact op. Of we een afspraak kunnen maken. Hij werd op zijn beurt ontslagen na herhaald ziekteverzuim. Hij heeft veel te vertellen.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Geen bankier in de gezondheidszorg

Krijgt de patiënt binnenkort een bankier aan zijn bed? Ik mag het niet gedroomd hebben. Maar als ik zeer kort door de bocht ga is het dat wat Febelfin voorstelt. Het is uiteraard niet de bedoeling dat kantoor- en administratief personeel van banken ingezet zal worden als verpleger of verpleegster, gaf Karel Van Eetvelt, CEO van Febelfin, aan. Maar de zorgsector heeft behoefte aan mensen met financiële kennis, en die heeft de bankensector op overschot.

De banken zien er vooral een oplossing in voor ouder personeel. Nergens werken zoveel 50-plussers als in de financiële sector. Door de digitalisering en automatisering hebben banken minder nood aan dat administratief personeel, maar zoeken ze wel meer technologische profielen. In de newspeak van de HR heet dat dan: de uitdaging om afscheid te nemen van minder geschikte, vaak oudere werknemers, en die te vervangen door jonger technologisch talent. In mensentaal: u bent bedankt, ga maar elders werken. De banken betalen wel het loonverschil bij.

Ik heb daar bedenkingen bij: de zorgsector heeft zijn eigen cultuur en gevoeligheden. Dat vraagt van de werknemers in die sector een hoge graad van professionalisme. Die verwerven ze door opleiding en ervaring. Met de invoering van de ICT in de sector, eind de jaren tachtig, hebben we gezien hoe de intrede van IT’ers voor een disruptie gezorgd heeft die in sommige gevallen nog steeds niet verteerd is. De voorbije decennia heeft de emancipatie van de patiënt gezorgd dat er een delicaat evenwicht bereikt is tussen zorgprofessionals en zorgvragers. Het risico bestaat nog altijd dat de passende inzet van professionele zorg wordt ingeruild voor ambtelijke beslissingen aan de hand van formele regelgeving. De administratie heeft het in vele gevallen overgenomen van de praktijk. Er is steeds minder ruimte voor de unieke omstandigheden van zorgvragers, die steeds vaker moeten beantwoorden aan door algoritmes bepaalde modellen.

Gezondheidszorg is bovendien meer dan toegepaste geneeskunde. Gezondheid betekent kwaliteit van het leven. Gaat er iets mis in lichaam of geest, dan betekent dat niet zelden dat ook het economische en financiële evenwicht van de patiënt in gevaar komt. Tussen de zorgverstrekker en de zorgvrager ontstaat een relatie met elkaar die symbiotisch te noemen is. Vertrouwen speelt in die relatie een belangrijke rol. Zorg is altijd omgeven door onzekerheden, over de juistheid van een diagnosestelling, over de effecten van interventies en over de omvang en timing van de inzet van zorgverleners en middelen.

Ik citeer in deze Aad de Roo, emeritus hoogleraar strategisch management in de gezondheidszorg aan de Universiteit van Tilburg, in Sociale Vraagstukken. “Die onzekerheid wordt teruggedrongen door vertrouwen van zorgvragers in het vakmanschap en de integriteit van professionals. Dat vertrouwen wordt bekrachtigd door aandacht van professionals voor de persoonlijke, unieke omstandigheden van zorgvragers. De relatie tussen zorgvrager en professional kenmerkt zich vanouds door ongelijkheid. Het zijn de professionals die de probleem stellen, het zorgtraject uitstippelen en langs dat traject hun zorg verlenen. Zo is door de jaren heen een traditie van overnemende zorg ontstaan waarin zorgvragers zich aan professionals overgeven, hun problematiek in feite uitbesteden. De professionals gaan met de zorgvraag aan de slag en de zorgvragers geven zich daarbij vol vertrouwen aan over. Deze traditie van overnemende zorg kent een hoog niveau van servicekwaliteit en gebruikersgemak. Er wordt van zorgvragers weinig eigen inzet gevraagd en dat is voor velen wel zo comfortabel.”

Kort gezegd: vertrouwen is de basis van de cultuur binnen de gezondheidszorg. Het is dat vertrouwen dat niet zelden afwezig is in de banksector. De cultuur daar is gebaseerd op wantrouwen. Een bankier wil voor alles contractueel vastgelegde waarborgen. Een bankier leeft bij gratie van de kleine lettertjes. Een bankier reikt je geen paraplu aan als het regent, maar als de zon schijnt. Als het regent neemt hij je niet zelden je regenjas af.

Aan de ambtelijke bankier vertrouw je geen intieme details over je omstandigheden toe. De Roo noemt dit de professionele scharrelruimte die het mogelijk maakt om unieke aspecten van afzonderlijk gevallen te honoreren. Die ruimte, waarbij bijvoorbeeld de sociale dienst van een ziekenhuis een zeer belangrijke rol speelt, dreigt vervangen te worden door de juridische noodzaak om gelijke gevallen gelijk te behandelen. “Voorop staat de rechtmatigheid van beslissingen, wat gelijke gevallen zijn wordt vastgesteld door vergelijking aan de hand van vooraf gespecificeerd kenmerken. Voor veel zorgvragers die geconfronteerd worden met een administratieve beslissing … is dit een onbegrijpelijke, niet te verteren zaak. En voor sommigen heeft het dramatische gevolgen omdat unieke omstandigheden zijn genegeerd.”

Ik vrees dus dat de intrede van de bankbediende geen vooruitgang betekent voor de gezondheidszorg.

Marc van Impe

Bron: MediQuality