Hoe technologie en masturbatie de seksuele revolutie overnam

Na het bezoek aan de ExpoPorno in de lokalen van de ULB, dwalen mijn gedachten terug naar de wilde jaren zestig toen de seksuele revolutie in de steigers werd gezet. De tentoonstelling in de ULB brengt een “wetenschappelijke, artistieke en speelse (en lucide!) benadering van pornografie.” Ik heb het allemaal meegemaakt.

In mijn jeugd was een halfnaakte Brigitte Bardot op de cover van de Ciné Revue pornografie. Het tarief was gekend: drie weken strafstudie. Een bezoek aan cinema Roxy, “Beneden de 18 niet toegelaten”, kostte een maand strafstudie. Maar het was de moeite waard. De ‘vuile cinema’s ‘ van toen zijn al lang gesloten. Tegenwoordig kijkt een tiener op zijn kamer naar seks op zijn laptop of smartphone. Een eenvoudige Boolean Search met de juiste trefwoorden brengt hem bij de visualisering van zijn goorste fantasie. Dat is een feit. Hoewel fatsoensrakkers alarm slaan en de mogelijke negatieve invloed van porno op de ontwikkeling van de seksualiteit bij die tieners en zelfs bij volwassenen aanklagen, stellen ze geen oplossingen voor. Maar de effecten zijn er wel zeker. Wat dat betreft hebben de rakkers gelijk. Dankzij de pornografie hebben er zich veranderingen voorgedaan die we vijftig jaar geleden, bij het uitbreken van de seksuele revolutie niet voor mogelijk hielden.

Vorige week las ik in een essay in Politico hoe conservatieven de cultuuroorlog over pornografie hebben verloren. En in The Atlantic stond een coververhaal over de afname van de praktijk van de geslachtsgemeenschap. In Politico vertelt Tim Alberta hoe het internet in wezen de anti-pornografiebeweging heeft gedood precies door pornografie zo alomtegenwoordig te maken en de consumptie van porno zo wijdverbreid te maken. In The Atlantic beschrijft Kate Julian’s wat ze de “seksuele recessie” in het seksueel bevrijde Westen noemt. In onze tolerante cultuur komt het entertainment tegemoet aan elk soort seksueel verlangen, met als gevolg dat de seksuele daad zelf –het neuken- enigszins uit de mode is geraakt, samen met de gebruikelijke consequenties: relaties,al dan niet gedwongen huwelijken, het verwekken van kinderen, terwijl de onanie en het celibaat enorm toenemen. Beide schrijvers beschrijven een post-seksueel revolutionair landschap dat niemand had verwacht. In Japan is dit dagelijkse werkelijkheid. Porno is er in alle soorten: van uiterst verfijnd tot extreem goor.

Conservatieven hadden dit niet verwacht omdat ze geloofden dat seksuele bevrijding onvermijdelijk tot sociale chaos zou leiden, met jongeren die enkel hun libidineuze driften zouden najagen met niet alleen promiscuïteit tot gevolg, maar een heleboel ernstige secundaire gevolgen op de koop toe: tienerzwangerschappen, hoge abortuscijfers, toenemende verkrachting en seksueel geweld, hogere misdaadcijfers onder vaderloze jonge mannen …. eigenlijk alles wat er leek te gebeuren in de jaren zeventig en tachtig, toen de antiporno-kruistocht onder stoom kwam.

Maar in de jaren negentig hebben veel van die grimmige sociale trends zich niet alleen gestabiliseerd maar keerde de trend om: in plaats van tienerjongens te veranderen in verkrachters, bewerkstelligde de pornografische cultuur met behulp van internet het tegenovergestelde effect. De cijfers van verkrachting en seksueel geweld daalden recht evenredig met de toegankelijkheid en de snelheid van het internet. Daaruit kan ik alleen maar concluderen dat de geneugten van de online erotiek ofwel een soort substituut waren voor seksuele predatie, of een soort van seksueel kalmerend middel waren, of beide. En dat kalmerende effect van de combinatie van Netflix, Tinder, Instagram en masturbatie blijkt ook zijn invloed te hebben op ‘normale’ seksuele relaties, want het speelt een cruciale rol in het decline-of-sex verhaal dat The Atlantic brengt.

De pornografische, permissieve post-seksuele orde lijkt vandaag de dag veel stabieler dan de conservatieve pessimisten 30 jaar geleden verwachtten, zonder sociale instorting aan de horizon.

Maar ook liberale optimisten en hun goeroes Wilhelm Reich en Alex Comfort hadden het verkeerd voor. Zij verwachtten dat het verwerpen van het puritanisme en het terzijde schuiven van de repressie tot een nieuwe maatschappelijk model zou leiden met een meer seksuele vervulling, een gezonde integratie van seksueel verlangen en romantische gehechtheid, en gelukkige egalitaire relaties tussen de seksen onderling.

In de plaats daarvan kregen we sociale waarbij masturbatie zelfmisbruik de plaats inname van de geslachtsgemeenschap, waarbij echte interacties vervangen werd door virtueel entertainment, en de seksen toenemend van elkaar vervreemden. Dus geen seks-positieve utopie zoals de derde-golf feministen voorspelden. Wel een wereld vluchtige privépleziertjes en blijvend sociaal isolement, van sociale vrede door steriliteit, van virtuele seks als het opiaat voor de massa die anders toch telkens seksuele mislukkingen oploopt.

Wie dat wel zag aankomen was Aldous Huxley in “Brave New World”, de essentiële dystopie van onze tijd, die voorzag hoe het libertinisme, ooit een radicaal ontwrichtende kracht, getemd, gedomesticeerd en gebruikt kon worden om door middel van technologie en drugs de maatschappij te stabiliseren. Zijn “soma” met “alle voordelen van het christendom en alcohol”, maar zonder kater of religieuze schuldgevoelens is nu te koop in de apotheek. En onze virtuele realiteit zijn Huwely’s pornografische “feelies” en zijn “Violent Passion Surrogate” . Beide hebben dezelfde kalmerende en stabiliserende rol zoals beschreven in “Brave New World”. Ik noem het een demonisch hedonisme.

De mensen die argumenteren tegen porno of die worstelen met hun seksuele en romantische ontevredenheid , proberen hun weg terug te vinden naar een wereldbeeld dat morele deugd en menselijke bloei weer serieus neemt. Maar ze leven in een samenleving die plezier boven schade verkiest en die de logica volgt van Mustapha Mond, een van de Controllers van Huxley’s wereldbeschaving: “Kuisheid betekent passie, kuisheid betekent neurasthenie. En passie en neurasthenie betekenen instabiliteit. En instabiliteit betekent het einde van de beschaving. Je kunt geen duurzame beschaving hebben zonder veel aangename ondeugden”.

Aangename ondeugden en stabiliteit, dat is de seksuele cultuur die we gecreëerd hebben. Het enige goede nieuws, en het beste bewijs dat we nog aan Huxley’s valkuil zouden kunnen ontsnappen, is dat we genoeg echt menselijke aspiraties behouden om daar ongelukkig over te zijn.

Het is zoals de consumptie van een goed glas wijn of bier, denk ik. Er is niets mis, maar je consumeert het zijn tijd en met mate.

Tenslotte nog dit: ik bespreek de aanleiding tot deze column met een bevriend arts. Pornografie heeft nooit kunst voorgebracht, sneert hij. Ik moet hem terecht wijzen. Ik herinner me een prachtige ets van Rembrandt van een paar in bed: Het ledikant, uit 1646. Het is een prachtig pornoplaatje uit de Gouden Eeuw. Op een omgewoeld hemelbed ligt een jonge vrouw, nog wel gekleed in nachtpon, op haar rug. Tussen haar dijen zit een man op zijn knieën. Zij heeft haar handen bemoedigend op zijn heupen gelegd. Als je goed kijkt, zie je zijn blote billen. Wat doet die man daar? En waarom schilderde Rembrandt die sekstafereel ? En is die vrouw zijn geliefde Saskia?

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Advertenties

Wat als je het leven redt en de patiënt wil dit niet?

Naar aanleiding van de recente berichten over een psychiatrische patiënte die om euthanasie verzocht en die ook kreeg, spreek ik met een arts die geconfronteerd werd met een niet ongewoon dilemma: moet je ingaan op de wens van een patiënt om niet gereanimeerd te worden als hij niet beseft dat er wel degelijk nog opties zijn? De familie van de psychiatrische patiënte en hun advocaat stellen dat de betrokken patiënte niet besefte dat genezing nog mogelijk was en dus kansen ontzegd werd.

Het gaat hier om een oudere patiënt met een levensbedreigende ziekte en met ernstige pijn, die op Spoed werd binnen gebracht en de aard van zijn situatie niet meer begreep. Er moest dringend een beslissing worden genomen. “Als arts probeer je die een patiënt te overtuigen een rationele aanpak te volgen, gebaseerd op de grenzen van onze kennis en mogelijke levensreddende interventies. Zo’n situatie speelt zich overal te lande op Spoed en Intensieve Zorg honderden keren per dag af. Maar twee factoren maakten dit incident uniek. Deze patiënt – die moeite had om te ademen, een lage bloeddruk had en enorme pijn leed- was een goede vriend van mijn vader. Ten tweede, de behandelende arts was ik. Je hebt altijd mooi praten als het over een ander gaat. Deze keer werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt.

A., was een gezonde, zelfstandig levende 87-jarige. Een gepensioneerd academicus. Hij was uit eten gegaan. Er moet iets mis geweest zijn met het eten want hij had de hele nacht gebraakt. Daarbij was wat braaksel in zijn longen terechtgekomen. De volgende dag werd hij naar Spoedgevallen gebracht met een ernstige shock en nierfalen en een ernstige longontsteking. Zijn ademhaling was moeizaam, zijn zuurstof was laag en zijn pols was snel en zwak. Hij was niet in staat om dit alles te verwerken. Doordat hij lang op een stretcher gelegen had, was de chronische ischias in zijn onderrug en been ondraaglijk pijnlijk geworden. Het enige wat hij wilde was pijnstillers. Onmiddellijk. Maar gezien zijn geringe bloeddruk en marginale ademhaling kreeg hij die niet.

A. had een negatieve wilsverklaring getekend en droeg een penning met die boodschap. Jaren voordien had hij zijn vrouw zien ten onder gaan aan metastatische kanker, hij wist dus wat hij wel en niet wilde: geen beademing, geen reanimatie. We weten allemaal dat de inhoud van zo’n negatieve wilsverklaring wettelijk afdwingbaar is. Met andere woorden: artsen moéten hiermee rekening houden. Maar de politiek in ons ziekenhuis is dat we daar pas op ingaan als alle redelijke kansen op overleven verkeken zijn. In dit geval wou het medische team van de longontsteking en sepsis van A. behandelen. Er waren nog kansen.

Ondertussen kreeg hij de pijnmedicatie waar hij wanhopig om vroeg, niet, omdat dit zijn bloeddruk verder zou verlagen en zijn ademhaling zou schaden. De patiënt was verward en in geen geval in staat om complexe leven-of-doodbeslissingen te nemen.

Wat doe je als je het als arts oneens bent met een patiënt over zaken van leven en dood? Wanneer er géén mogelijkheid is om een doordacht, geduldig, genuanceerd gesprek te voeren over leven ondersteunend ingrijpen? Wanneer artsen het niet eens zijn met de patiënt en zijn familie? In onze regio kiest de familie meestal bij zo’n crisis voor een agressieve medische aanpak, ook al zijn de voordelen verwaarloosbaar of onbestaande. Ook nu.

De patiënt mocht niet sterven! Het biedt een vorm van uitstel, waardoor verdere discussie mogelijk wordt. Een afschuiven van verantwoordelijkheid. Wat als je arts weet dat de beslissing van de patiënt om bij een behandelbare ziekte verdere behandeling te weigeren, onvermijdelijk leidt tot een mogelijk vroegtijdige of onnodige dood? Het gaat zo vaak om het een of de ander. Om binaire opties. Het echte leven is echter niet binair. Dat heb ik toen geleerd. Het echte leven is nuance en context en onzekerheid. Het echte leven bestaat uit grijstinten.

En wat doe je in dit mistig landschap, wat als je het niet eens bent met de weg die je patiënt wil volgen? Wat als je als goed opgeleide, wel geïnformeerde arts voor kritische zorg opteert, en het gaat niet alleen om een patiënt maar ook om iemand die je van nabij kent? Als je ervoor kiest om te behandelen, neem je zijn autonomie en recht op vastberadenheid weg. Als je ervoor kiest om de zorg te beperken, kies je voor een onomkeerbare weg naar de dood.

Bij A. koos ik voor een behandeling, niet voor de afbouw. Ik heb gekozen voor paternalisme boven autonomie. Ik koos voor een in de tijd beperkte beproeving die zijn leven zou redden boven een morfinedosis die hem comfort zou geven en fataal zou zijn. De patiënt werd geïntubeerd. Pas van zodra zijn ademhaling en bloeddruk gestabiliseerd waren, kreeg hij morfine toegediend. Wij kochten tijd met antibiotica. Na 48 uren was het tij gekeerd. De intubatie werd 24 uur later verwijderd, en hij kon kort daarna de Intensieve Zorg verlaten. Er volgde een verblijf in een zorginstelling. Binnen zes weken was hij weer thuis. In mijn wereld betekent dat een overwinning. Toch bleef ik met gewrongen gevoel achter.

Een paar maanden later zag ik A. op een verjaardagsfeestje bij mijn vader. Ik nam de gelegenheid te baat om hem eindelijk te vragen of ik die ochtend de juiste keuze gemaakt had door zijn wilsbeschikking te overrulen. Hij keek me aan en zei recht in mijn gezicht: ‘Ik zou dat niet nog een keer willen meemaken. Ik neem het je ten zeerste kwalijk.’ Hij vertelde me over de talloze slapeloze nachten, liggend in bed, bang, verward, niet wetende wanneer het licht eindelijk een einde zou maken aan zijn duisternis. Het was de hel, zei hij, en een die hij niet opnieuw wilde meemaken. Als hij het nog eens kon overdoen, zei hij, dan zou hij zijn adem in houden. Geen intubatie. Geen levensondersteuning.

Ik was geschokt. Wat betekent het als wat een eenduidige overwinning in mijn wereld is, geen overwinning betekent in de ogen van de persoon voor wie dit het belangrijkst is? Welk begrip heb ik van wat “levenskwaliteit” voor ieder van ons betekent? Ik heb toen geleerd dat de levenswens van de patiënt primeert.”

Een paar maanden later ontwikkelde A. weer een ernstige longontsteking. Hij stierf een paar dagen later in het ziekenhuis, met de palliatieve hulp van het hospice. Een arts die zich niet kan vinden in de beslissing van de patiënt of zijn vertegenwoordiger moet naar de rechtbank gaan, lees ik in een doctoraat over deze wet. Dat lijkt me nog redelijk bij een patiënt in coma. Maar weinig realistisch bij een patiënt op Spoed.

Komt een vrouw bij de dokter, om de uitslag van een onderzoek te vernemen.

‘Toen de dokter zei dat ik geen gezwel had en ook geen hartfalen of levercirrose, en als ik geen gekke dingen deed wel honderdeneen zou kunnen worden, zakte de moed me in de schoenen.’*

Ik moest een dit micro-verhaaltje denken toen ik de resultaten las van onze peiling waarin we u vroegen hoe u slecht nieuws brengt? Omfloerst of recht voor de raap. We ontvingen 158 volledige antwoorden. De uitkomst is verbazingwekkend: 75% van de artsen kiest voor zachte aanpak. 25% kiest voor directe confrontatie, maar in deze zijn dat drie keer zoveel Vlamingen dan Franstaligen. We vroegen u niet waarom u voor uw aanpak kiest. Dat geeft me vrijheid hier wat verder op door te borduren.

Vaak lees ik in de rubriek lezersbrieven dat artsen slecht nieuws ijskoud brengen. Dat blijkt dus helemaal niet zo te zijn. Hoewel er misschien enkele dokters zijn die aan die criteria voldoen, geeft de meerderheid van de artsen echt om de gevoelens van hun patiënten. Terwijl het geven van slecht nieuws een van de moeilijkste taken van een clinicus is, doen de meesten echt een inspanning. Het verschil tussen Noord en Zuid -25 Vlaamse artsen brengen slecht nieuws zonder omwegen, tegenover 8 Franstalige- past helemaal in het beeld dat uit andere peilingen blijkt, met name dat de Franstalige arts zich paternalistischer opstelt dan zijn Vlaamse collega. Dat getuigt ook van een verschillend inschatten van de autoriteit die een arts verondersteld wordt uit te stralen.

Wat me ook verbaast is dat patiënten zo verschillend reageren op de minder gunstige informatie die ze krijgen. Sommigen zijn volledig voorbereid op het resultaat. Anderen zijn zo geschokt dat ze de gegevens niet geloven. Sommigen staan stevig in hun schoenen, ook al horen ze het ergste, terwijl anderen in grote paniek verkeren. Er is geen verkeerde of juiste reactie en er is geen manier om te voorspellen hoe een patiënt zal reageren. Een arts moet beseffen dat het brengen van slecht nieuws het leven van een patiënt drastisch gaat veranderen. Ze zullen moeten hun toekomstplannen volledig herzien. Ze zullen onzeker zijn hoe ze dit aan hun dierbaren moeten vertellen. De arts moet openstaan voor al die reacties en deze zeker niet minimaliseren. Niet alle mensen zullen sterk zijn en de patiënt vertellen dat hij precies dàt moet doen, kan hem het gevoel geven dat u zijn ervaring wil bagatelliseren.

De depressieve schrijfster van het micro-verhaal besluit haar reactie op het goede, dus voor haar slechte nieuws, als volgt:

‘Een hele lap leven hing voor me… Ik moet die lap niet zien. Haal die lap weg! En geef me honderdeneen miljoen momenten van nu en hier.’

Hoe breng je dan slecht nieuws? Ik geloof dat deze aanpak werkt: Wees empathisch, wees eerlijk, patiënten verdienen de volledige en volledige waarheid, hoe slecht die ook is. Als ze erger worden, vertel het hun. Een arts kan niet iedereen redden en degenen die met de dood worden geconfronteerd, moeten dat weten, zodat ze voorbereidingen kunnen treffen, wat dat ook moge inhouden.

Wees eenvoudig en zorg ervoor dat de patiënten begrijpen wat u hebt uitgelegd of onthuld. Geef ze goede websites waar ze meer informatie kunnen vergaren nadat ze naar huis zijn gegaan. Ze zijn vaak geschokt en niet in staat om te luisteren naar alles wat u hen vertelt. Laat ze vragen stellen en zorg ervoor dat u ze beantwoordt. Ze moeten volledig op de hoogte zijn van hun medische situatie. Als ze zelf geen vragen stellen, vraag ze dan of ze die hebben. Luister: de bezorgdheid van een patiënt kan niet dezelfde zijn als die van u.

Een patiënt kan zich meer zorgen maken over het uitvallen van zijn haar door chemotherapie dan over de metastasen in de toekomst. Als u luistert, weet u waar zij het meest bezorgd over zijn en hoe dit moet worden aangepakt. Laat hen hun emoties tot uitdrukking brengen. Wees ondersteunend. Patiënten moeten weten dat je er voor hen bent. Je bent er niet om ze te vertellen wat ze moeten doen. Je bent er om hen te begeleiden en te helpen bij het nemen van beslissingen. Misschien ben je het niet eens met hun beslissingen, maar het is aan hen om die te nemen. Trivialiseer ze niet: mensen zeggen vaak dat ze gewoon sterk moeten blijven of een voorbeeld nemen aan andere, zogenaamd sterkere patiënten. Nou, die woorden zijn misschien gemakkelijk uit te spreken als jij niet degene bent die lijdt. Je bent een dokter, geen bron van inspirerende citaten.

* Het citaat is van de Nederlandse schrijfster Sylvia Hubers

Marc van Impe

Bron: MediQuality

ME/CVS: Cochrane wijst Pace Trial af

Minister Maggie De Block vroeg bij haar aantreden haar administratie een adviesnota voor te bereiden in verband met het te volgen beleid inzake ME/CVS. Het Riziv schoof die opdracht door naar het expertisecentrum van de KULeuven. Uit welingelichte bron vernemen we dat dit advies van de Leuvense experten tot in de details de conclusies volgt van de Britse Pace-studie waarover we hier al uitgebreid bericht hebben.

Deze studie werd zowel door de wetenschappelijke wereld als door de patiëntenorganisaties afgeschoten wegens gemanipuleerd, onvolledig en politiek geïnspireerd en komt er op neer dat ME/CVS-patiënten enkel kunnen geholpen worden met psychotherapie (CGT) en kinesitherapie (Graded Excercise). Vandaag raakte bekend dat de Cochrane Collaboration een verklaring gepubliceerd heeft waarin staat dat de Pace Trial niet voldoet aan de “kwaliteitsnormen” van de organisatie.

Op verzoek van de Cochrane Collaboration hadden de auteurs van de Pace Trial hun werk uit 2011 overgedaan en correcties aangebracht. Maar ook dit volstaat niet aldus Cochrane. De studie is een methodologische puinhoop, aldus Cochrane. Twee patiënten -Tom Kindlon en wijlen Robert Courtney- hadden na publicatie in 2014 uitgebreide en overtuigende kritiek uitgebracht. Hun schrijven werd gesteund door meer dan honderd academici, patiëntengroepen, advocaten en politici die in een open brief aan de Lancet opriepen tot een onafhankelijke re-analyse.

Toen de hoofdauteurs , de professoren Peter White, Trudie Chalder en Michael Sharpe dit weigerden en ze daarin gesteund werden door professor Simon Wessely , diende Robert Courtney een formele klacht bij Cochrane. Cochrane vond de klacht gegrond en had onlangs de auteurs een kans om hun werk dienovereenkomstig te herzien. Het is de herziening die Cochrane nu onbevredigend heeft geacht.

De Pace Trial, die 5 miljoen pond gekost had, bepaalt in Engeland en ook ons land het officiële beleid inzake ME/CVS. Psychiater Wessely, die voorzitter is van het Royal College of Psychiatrists blijft de studie verdedigen: ” This trial was a landmark in behavioral complex intervention studies,” zegt hij.

Het is nu de vraag wat de minister gaat doen?

Marc van Impe

Bron: MediQuality

BMJ 2018; 362 doi: https://doi.org/10.1136/bmj.k3621 en https://me-pedia.org/wiki/PACE_trial

http://www.virology.ws/2018/12/03/trial-by-error-some-good-news-on-cochrane/

Meer levercirrose bij koude winters

Wie zich afvraagt waarom de mensen geneigd meer te drinken als het buiten koud is en de nachten langer zijn, die vindt een antwoord in een nieuwe wetenschappelijke studie, uitgevoerd door het Pittsburgh Liver Research Centre in de VS en deze maand gepubliceerd in het Hepatology Journal.

Die studie toont aan dat er een direct verband bestaat tussen dalende temperaturen en uren zonlicht en een verhoogd alcoholverbruik. “Het is iets wat iedereen decennialang aannam, maar wat niemand wetenschappelijk aangetoond had”, aldus Dr. Ramon Bataller, professor aan de Universiteit van Pittsburgh. Er zijn twee verklaringen: je voelt je warmer na een glas alcohol omdat de drank als vaatverwijdend middel fungeert, de bloedvaten ontspant en de doorstroming van warm bloed naar de huid verhoogt. De tweede reden waarom je misschien meer wilt drinken is dat kortere dagen en langere nachten en koude ook verband houden met depressie, waarvan al lang bekend is dat het drinken stimuleert. Een gevolg is een groter risico op alcoholische cirrose, wat overigens ook wordt bepaald door genetische factoren. Cirrose komt vaker voor in het noorden van de VS.

De onderzoekers wilden weten of het klimaat een oorzakelijk effect heeft op alcoholconsumptie en de impact ervan op alcoholische cirrose. Ze verzamelden gegevens uit 193 landen en uit 50 staten en 3.144 counties in de Verenigde Staten.

De data waren afkomstig van onder andere de Wereldgezondheidsorganisatie, de Wereld Meteorologische Organisatie en het Institute on Health Metrics and Evaluation. De klimaatparameters waren gebaseerd op de Koppen-Geiger classificatie, de gemiddelde jaarlijkse zonne-uren en de gemiddelde jaarlijkse temperatuur. Alcoholconsumptiegegevens, drinkpatroon, gezondheidsindicatoren en de alcoholtoerekenbare fractie (AAF) van cirrose werden gecorreleerd an daaruit bleek dat er een omgekeerde correlatie bestaat tussen de gemiddelde temperatuur en het gemiddelde aantal uren zonneschijn per jaar en de liters jaarlijks alcoholgebruik per hoofd van de bevolking.

Hoe kouder het wordt des te hoger het percentage zwaar episodisch drinkers. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) was ongeveer 5,9% van alle sterfgevallen in 2014 toe te schrijven aan alcoholmisbruik, tegenover 4% in 2004. Oost-Europa in zijn totaal heeft met 15,7 liter alcohol per persoon de hoogste jaarlijkse consumptie per hoofd van de bevolking.

De Moldaviërs staan op de eerste plaats met 17,4 liter alcohol per persoon per jaar. Na Moldavië, volgt Wit-Rusland met 17,1 liter alcohol per persoon. Litouwen sluit de top-3 af met 16,2 liter alcohol. Noord-Afrika en het Midden-Oosten daarentegen heeft met 1,0 L per persoon de laagste consumptie per hoofd van de bevolking. In Libië, Mauritanië en Pakistan wordt het minste alcohol gedronken. Daaruit blijkt dat niet alleen klimaatgerelateerde variabelen, maar ook culturele en religieuze factoren een invloed hebben. In een lijst van landen waar het meeste alcohol wordt gedronken, staat België pas op de 31ste plaats.

België staat op de 31ste plaats, net voor Duitsland, Spanje en Zwitserland. Hoewel het cijfer van België slechter kan, wil dat niet zeggen dat we daarom goed bezig zijn. Zo kampt maar liefst één op de tien Belgen met een alcoholprobleem. Het dagelijks gebruik van alcohol is significant verschillend tussen Vlaanderen en Brussel, maar niet tussen Brussel en Wallonië. Het Waals Gewest, waar het ’s winters flink kouder is, onderscheidt zich van de andere gewesten door een hogere gemiddelde consumptie zijnde 12 glazen alcohol per week tegen 10 elders. Het percentage personen met leverlijden vertoont geen belangrijke regionale verschillen. In Vlaanderen is dat 0,3%, in Franstalig België 0,5%.

Hepatology. 2018 Oct 16. doi: 10.1002/hep.30315. [Epub ahead of print]

https://www.livercenter.pitt.edu/sites/default/files/Ventura-Cots_et_al-2018-Hepatology.pdf

https://his.wiv-isp.be/nl/Gedeelde%20%20documenten/AL_NL_2008.pdf

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

De huisarts en Sinterklaas

Ik was zes toen ik dankzij onze huisarts van mijn geloof viel. Tot dan waren Jezus, Sint Maarten en zijn broer Sinterklaas een soort goddelijke drie-eenheid. Jezus werd elk jaar geboren tijdens de middernachtmis in een ijskoude kerk, en bracht behalve cadeautjes onder de kerstboom zo om het jaar een kindje in moekes buik, de twee Sinten waren in mijn ogen de gulle nonkels een paar weken voordien snoep, speculaas en een trein brachten en die erop letten dat ik braaf bleef.

Zij waren de meesters over goed en kwaad en Zwarte Piet, die dus tweemaal moest optreden, was hun strenge knecht. Jezus was een gipsen beeld, maar de Sinten waren wáár. Ik kon naar de Sinten zwaaien, mocht in de speelgoedwinkel op hun schoot zitten en ze kwamen aan huis jenever drinken.

Tot ik op een dag mijn moeder zei: „Ik weet het geheim van Sinterklaas.” Het was avond en de huisarts was langs geweest. Bij het genot van een glaasje vieux en een sigaar vertelde hij onachtzaam hoe hij de avond voordien de Sint met een spuitje weer op de been had moeten helpen. De Sint was een beetje dronken geweest en in het donker lelijk gevallen. De dokter noemde de voornaam van de Sint. En dat was niet Maarten of Klaas maar Omer, zoals de kolenhandelaar heette van naast de deur. Ik begreep op slag alles.

„O”, zei mijn moeder, „en wat is dat geheim dan?” „Dat hij niet bestaat”, zei ik met een bang hart. Ik had een vreselijke dag achter de rug, ik klampte me vast aan mijn geloof, ik verzon redeneringen waarom de Sint toch zou bestaan, en voelde me gelijk centimeters groeien. Maar de belangrijkste vraag was: Krijg ik nog cadeautjes? Mijn moeder bevestigde mijn vreselijk vermoeden. Ze bracht mijn broers en zusje naar bed en legde me uit hoe het in elkaar zat. Dan liet ze me op mijn kinderzieltje beloven dat ik mijn broers niets zou verklappen.

Op school heb ik het gelijk aan de hele klas verteld. De Juf zette me in de hoek. Niemand van mijn klasgenoten geloofde me. Toen de Sint op bezoek kwam in de klas zei ik: “Dag Omer.” Hij monkelde. “Gij gaat het nog ver brengen,” zei hij. Ver was toen voor mij over het viaduct. Daar liepen we over heen als we op bezoek gingen bij oma en opa.

Een paar dagen geleden kwam de Sint aan wal aan de steiger voor onze deur. Zoals gewoonlijk ging ik met mijn twee kleinste kleindochters van zes en acht kijken. Het vroor en ze hadden het snel bekeken. Boven wachtte hen chocolade en nicknackjes. Later die middag, in het kleinste theater dat onze woonkamer is, luister ik naar hun gesprek over de Sint en zijn cadeaus. Wanneer de oudste zegt dat ze weet wie de Sint echt is, zegt de jongste: “Ik wil het niet horen.” Ze weigert de openbaring. ze drukt haar oren dicht. Ze houdt vast aan haar godsgeloof, met al zijn zekerheden, mysteriën en visioenen. Ze weet hoe moeilijk het leven zal zijn zonder de jaarlijkse openbaringen op 11 november en 6 december.

Als je erop gokt dat de Sint bestaat, dan zit je altijd goed. Het is als de gok van Blaise Pascal. In de nacht van 23 november 1654 kreeg die zijn ‘openbaring’. De tekst die hij opschreef na zijn openbaring is veelzeggend: “VUUR. God van Abraham, God van Isaak, God van Jakob. Niet de God van filosofen en geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Gevoel. Vreugde. Vrede. God van Jezus Christus.” Het is wat we de gok van Pascal zijn gaan noemen. Mijn stenen Jezus verloor kort daarna een arm en toen er geen wonder gebeurde, zijn overtuigingskracht.

Ik hoop mijn jongste ooit tot Spinoza te brengen. Volgens Baruch Spinoza is onwetendheid en geloof het voornaamste obstakel bij het nastreven van een deugdzaam leven. Maar voorlopig kan ze zo verder. Ze valt wel vanzelf van haar geloof, heb ik geleerd. En als het moet haal ik de huisarts erbij.

Marc van Impe

Bron Mediquality

Artsenweduwe aan de bedelstaf

Kan je als partner van een arts aan de bedelstaf geraken? Wees maar zeker. Ik word gebeld door de nog groene weduwe van een arts die een paar maanden geleden na een kort ziekbed abrupt kwam te overlijden.

Zij heeft de laatste elf jaar van haar carrière gewerkt als administratieve medewerksters van haar echtgenoot. Toen ze elkaar leerden kennen werkte ze als verpleegster in het ziekenhuis waar hij stage liep.

Kortom een klassieke relatie uit het begin van de jaren tachtig. Er kwamen kinderen. Uiteraard nam zij de ouderlijke taken op zich. “En alles wat bij een opstarten praktijk komt. Ik moet daar geen prentje bij tekenen. Men had me wijsgemaakt dat ik als meewerkende echtgenote al mijn rechten zou behouden. Pas na een belastingcontrole, toen we veranderden van accountant, werd het me duidelijk dat ik niet alleen al die jaren voor niets gewerkte had maar ook dat ik een enorm gat gemaakt had in mijn pensioenrechten.”

Nu haar man is overleden blijkt pas hoe groot de schade is. Als ze haar overlevingspensioen aanvaard mag ze niet meer verder werken. “Een collega uit de maatschap heeft me aangeboden verder te werken als administratiefs bediende. Maar met dat salaris kan ik ‘mijn stand noch status’ handhaven. In combinatie met het overlevingspensioen kan ik in ons appartement blijven wonen, zonder een van de twee is dat onmogelijk.”

De doktersweduwe is niet de enige. Veel gepensioneerde doktersechtparen komen al met moeite rond met het wettelijk pensioen. Maar indien een van beiden overlijdt volgt er, na het verlies van de partner, ook een financieel drama. Vaak heeft de overleden arts niet eens voldoende jaren gewerkt om een volledige pensioenuitkering te trekken. Laat staan dat als ze voortijdige overlijden zoals in dit geval, hun weduwe of weduwnaar het recht bezorgd hebben op een redelijk pensioen als overleden huwelijkspartner. Het overlevingspensioen is één van de vier grote types wettelijke pensioenen en wordt nu eenmaal berekend op basis van de loopbaan van de overleden echtgenoot of echtgenote, die werknemer, zelfstandige of ambtenaar geweest is. Het bestaat dus voor alle statuten. In elk geval moet – met uitzondering van bepaalde situaties – de kandidaat-rechthebbende van een overlevingspensioen zelf minstens vijfenveertig jaar oud zijn.

Gelukkig is dat het geval. Bovendien is de weduwe minstens één jaar getrouwd geweest met de overledene. Als tweede echtgenote is dat niet evident, maar gelukkig had haar overleden man na een zware echtscheiding zijn pensioen rechten gevrijwaard. De waarheid is echter hard bij les. Het overlevingspensioen als zelfstandige wordt berekend op basis van de loopbaan van de overleden echtgeno(o)t(e). Voor de berekening van het overlevingspensioen wordt er rekening gehouden met de beroepsloopbaan als zelfstandige of helper en de beroepsinkomsten van de overledene. Zij was dus ‘helper’. Voor hen geldt de regel help uzelf zo helpe u god.

Nu volgt een paragraaf ambetenarenjargon: “Wie zelf gewerkt heeft en recht heeft op een eigen rustpensioen, kan dit pensioen tot een bepaald bedrag combineren met het overlevingspensioen van de overleden echtgeno(o)t(e). Dit grensbedrag is gelijk aan 110 % van het bedrag van het overlevingspensioen voor een volledige loopbaan. Voor een volledige loopbaan wordt het overlevingspensioen berekend door het bedrag van het overlevingspensioen te vermenigvuldigen met de omgekeerde loopbaanbreuk. Het overlevingspensioen is gelijk aan het grensbedrag, min het bedrag van het rustpensioen.”

In haar concrete geval betekent dit dat de weduwe- als ze een overlevingspensioen wil trekken- moet ophouden met werken, waarna ze als ze zelf met pensioen zal gaan een nog lager pensioen zal trekken, wat niet kan gecumuleerd worden met het overlevingspensioen van haar overleden echtgenoot. Werkt ze wel door dan is het noppes en krijgt ze niets.

Of zoals de ambtenaar het zo duidelijk formuleert: ‘Na het overlijden van de partner zal de overlevende echtgeno(o)t(e) in de meeste gevallen dus (iets) meer ontvangen dan haar/zijn eigen pensioen, maar minder dan de som van beide rustpensioenen. Men houdt hier dus best rekening mee.’

Ik zie de volgende dag dat er een appartement te koop staat.

Marc van Impe

Bron: MediQuality