Magistrale bereiding in strijd tegen dure weesgeneesmiddelen

In Nederland lobbyt een coalitie van zorgverzekeraars, artsen en beleidsmakers achter de schermen voor een heropleving van de bereidend apotheker. Het relaas van dit staaltje onderzoeksjournalistiek verschijnt vandaag op de betalende website van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

In november 2017 meldden we u dat de Haagse apotheker Paul Lebbink Orkambi, een geoctrooieerd medicijn tegen taaislijmziekte, gaat namaken voor een fractie van de prijs waarover multinational Vertex maandenlang onderhandelde met de overheid.

Lebbink is niet de enige. Ook het Amsterdam Medisch Centrum AMC werkt aan een vergelijkbaar plan. Op 5 april 2018 maakte het ziekenhuis bekend zelf chenodeoxycholzuur (CDCA) te gaan maken, een middel voor de behandeling van patiënten met de zeldzame erfelijke stofwisselingsziekte cerebrotendineuze xanthomatose. CDCA werd daarvoor nooit officieel geregistreerd. Maar toen de Italiaanse fabrikant Leadiant het product registreerde als weesgeneesmiddel, vervijfvoudigde de jaarprijs naar meer dan 160.000 euro per patiënt. ‘Leadiant heeft geen regel overtreden door zo’n oud middel als weesgeneesmiddel te registreren en er een vermogen voor te vragen’, zegt Carla Hollak, hoogleraar erfelijke stofwisselingsziekten bij het AMC. Het Europees Geneesmiddelen Agentschap (EMA) gaat immers niet over vergoedingskwesties, dat is een zaak van de lidstaten. ‘Heel creatief eigenlijk, maar zorgverzekeraars wilden het voor deze prijs niet meer vergoeden. Dat inspireerde ons om net zo creatief te worden.’

Initiatiefnemers van de CDCA-productie waren, naast Hollak, ziekenhuisapotheker Marleen Kemper van het AMC, de stichting Pharmagister, het investeringsfonds CbusineZ, dat gelieerd is aan de zorgverzekeraar CZ, en zorgverzekeraar VGZ. De grondstof voor CDCA werd in China besteld. Daarmee kan CDCA ongeveer acht keer goedkoper in de ziekenhuisapotheek worden gemaakt met een zogenoemde ‘magistrale bereiding’.

Het fenomeen is nieuw. En het krijgt de steun van Bruno Bruins, minister voor Medische Zorg en Sport. Als prijsonderhandelingen met een fabrikant op niets uitlopen, wil hij ‘de grenzen kunnen opzoeken’ door bijvoorbeeld ‘apothekers geoctrooieerde geneesmiddelen te laten namaken’. Het NTvG deed daarom onderzoek naar wat het de ‘bereidingslobby’ is gaan noemen. Hoe lang loopt deze lobby al, hoe ver is ze gevorderd en welke mazen in de wet maken zelfbereiding eigenlijk mogelijk?

Devoorganger van Bruins, minister Edith Schippers, vroeg in 2016 al dat de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) zou uitzoeken hoe nieuwe geneesmiddelen weer ‘een maatschappelijk aanvaardbare prijs’ kunnen krijgen. In november 2017 lag er een rapport. Met grofweg de volgende conclusie: het belangrijkste probleem is dat kleinere innovatieve spelers zelden het geld hebben om een beloftevol geneesmiddel zelfstandig op de markt te krijgen, waardoor ze vroeg of laat worden opgeslokt door de kapitaalkrachtigste bedrijven. Bovendien is het bewijs voor werkzaamheid van innovatieve (wees)geneesmiddelen in de regel beperkt. Daarom moet het prijsniveau van nieuwe medicijnen naar een ‘scherp’ maar ‘reëel’ niveau worden gebracht, zo stelt de RVS. Alleen dan zullen grote bedrijven gedwongen worden om prijzen meer te laten afhangen van het kostenplaatje, ervan uitgaande dat zij hun winstmarges op peil willen houden.

De conclusie van de RVS is niet nieuw. Huub Schellekens, hoogleraar innovatie in de medische biotechnologie aan de Universiteit Utrecht, redeneerde vergelijkbaar toen hij in 2013 uit protest tegen de gang van zaken zijn taken voor het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen neerlegde. Het was Schellekens die een jaar later het startschot gaf voor de bereidingslobby: met een aantal studenten begon hij op kleine schaal alglucosidase alfa na te maken voor de behandeling van de ziekte van Pompe. Een apotheker kan deze stof honderd keer goedkoper maken dan de 400.000 tot 700.000 euro die fabrikant Genzyme jaarlijks per patiënt rekent.

Het idee van Schellekens wekte in 2014 de interesse van verzekeraar Zilveren Kruis. Interessant detail: de Nederlandse Geneesmiddelenwet staat toe dat een apotheker op recept van een arts zijn of haar eigen patiënten mag behandelen met een ‘magistraal’ bereid middel. Een handelsvergunning is in dat geval niet nodig. Om prijsconcurrentie af te dwingen bij innovatieve fabrikanten van specialistische medicijnen die niet hetzelfde maar wel vergelijkbaar zijn, probeerde de zorgverzekeraar met ziekenhuizen inkoopblokken te vormen. Pittig detail: het toenmalige Achmea, moederbedrijf van de verzekeraar, investeert ook in de farmaceutische industrie en riskeerde met de inkoopactie van zijn zorgverzekeringstak misschien wel dat het Nederlandse vestigingsklimaat voor geneesmiddelenontwikkelaars zou verslechteren. Maar Achmea gaf groen licht. De farmabedrijven begonnen zich ongerust te maken en probeerde ‘patiënten- en artsenverenigingen te mobiliseren’ om tegen Achmea in actie te komen. Zo startte Janssen Pharmaceutica, samen met een patiëntenvereniging, een kortgeding tegen de verzekeraar. En verloor.

Achmea haakte finaal af. Maar CbusineZ, een aan die andere zorgverzekeraar CZ gelieerde stichting nam de fakkel over. Later sloten CZ, Zilveren Kruis en Menzis zich aan bij een project om de zogeheten ‘BioNespresso’ te ontwikkelen, een apparaat waarmee elke apotheker ooit zijn eigen biological moet kunnen bereiden.

In de tussentijd moeten andere barrières worden weggenomen. Het is op dit moment riskant om geoctrooieerde middelen magistraal te bereiden, zo constateerde de RVS al, want fabrikanten kunnen bij de rechter claimen dat hun intellectuele eigendom wordt geschonden als een apotheker een nieuw middel namaakt. Daarom ligt er een wetsaanpassing van de Rijksoctrooiwet klaar, waarin magistraal bereidende apothekers expliciet uitgezonderd worden van de rechten van een octrooihouder. Die conceptwet moet alleen nog inhoudelijk worden behandeld door beide Kamers.

De bereidingslobby richt overigens niet op de geoctrooieerde kroonjuwelen van de industrie. Als een weesgeneesmiddel geregistreerd wordt, belooft het EMA immers 10 jaar lang geen ander gelijkwaardig product voor dezelfde weesziekte te registreren. Een ander doelwit zijn wel de fabrikanten die na het verlopen van het octrooi geen prijsverlaging doorvoeren.

Reactie APB: “In België doen we dat in overleg met minister en FAGG. Zie meerjarenkader.”

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Advertenties

Bijna 30% vrouwelijke artsen in opleiding ervaart grensoverschrijdend gedrag

Mijn sector moet schuldig pleiten: de helft van de vrouwen in de mediasector heeft het voorbije jaar grensoverschrijdend gedrag ervaren. En het is nog erger in de culturele sector. Gaat het in de meeste gevallen om ongepaste seksuele of seksistische opmerkingen, maar heeft in de mediasector één vrouw op vijf te maken met ongewenste fysieke toenaderingen. In de culturele sector geeft een kwart van de vrouwen ook aan dat ze het voorbije jaar te maken kregen met handtastelijkheden. Hoe gaat het er in de medische sector aan toe?

Ben ik verwonderd dat daar nog geen gedegen academisch onderzoek naar gedaan is? Ik ken anders wel wat bijeen gesprokkelde en goed gedocumenteerde verhalen. Over professoren in UZ’s die zich vergrijpen aan patiënten en assistenten. Over huisartsen die er een gewoonte van maakten om ’s avonds langs hun deuxième bureau te passeren. Over psychiaters die beter saters zouden genoemd worden.

In de nasleep van de #metoo-beweging is grensoverschrijdend gedrag in alle sectoren bespreekbaar geworden. Het media- en cultuuronderzoek, werd uitgevoerd door de onderzoeksgroep CuDOS – Vakgroep Sociologie van de UGent, en is eens te meer onthullend.

3% van de vrouwen geeft aan gedwongen of gechanteerd geweest te zijn om seksueel contact te hebben. In de cultuursector is dat 4%. Uit de studie blijkt ook dat slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag dit weinig melden.

Ik ging op zoek naar relevante cijfers voor de medische sector. Icuro publiceerde in 2013 al een rapport over grensoverschrijdend gedrag tussen zorgaanbieders en zorgvragers. Ook die redactie moest aan de hand van buitenlandse cijfers tot een inschatting van de werkelijkheid komen. En die is onthutsend. Zo blijkt uit een overzicht van Canadese studies bij gezondheidswerkers dat tot 17% van hen aangeeft een seksuele relatie te hebben gehad met minstens één patiënt. Van die groep geeft 33 tot 80% aan met meerdere cliënten een seksuele relatie aangeknoopt te hebben.

Ook andere overzichtsstudies geven aan dat seksueel contact in de therapeutische relatie voorkomt bij 5 tot 10% van de therapeuten. En het ergte is dat zijn therapeuten zich vaak niet bewust zijn van het feit dat ze de grenzen van de relatie overschrijden. Onderzoek bij zorgvragers (zelfrapportage gebruikers) toont veel hogere cijfers over diverse vormen van misbruik.

In een Canadese studie gaf 8% van de ondervraagde patiëntes aan minstens eenmaal seksueel te zijn benaderd door een gezondheidswerker. In een andere Canadese studie in opdracht van de Orde van Geneesheren in British Columbia rapporteerden tot 10% van de patiënten (zowel vrouwelijke als mannelijke) grensoverschrijdend gedrag. Dat ging van seksueel getinte opmerkingen tot onnodige intieme aanrakingen.

Voor België bestaan nog altijd geen systematische studies met representatieve steekproeven. “Toch mag dit geen reden zijn om het probleem te ontkennen of te onderschatten. We mogen immers aannemen dat bovenstaande percentages extrapoleerbaar zijn en bovendien een onderschatting van de realiteit,” schreef Peter De Gadt in zijn voorwoord.

Recentere cijfers komen van dichterbij. De Nederlandse Maatschappij voor de Geneeskunde paste begint deze maand haar code aan na een confronterende MeToo-enquête. De KNMG stelt nu dat seksueel grensoverschrijdend gedrag deontologisch ontoelaatbaar is.

Het Tijdschrift Medisch Contact ondervroeg 3098 artsen en 440 geneeskundestudenten en co-assistenten. Bijna 30 procent van de respondenten, niet toevallig meestal vrouwelijke leden van het medisch corps, had minstens eenmaal een seksueel grensoverschrijdende situatie op de werkvloer meegemaakt. In driekwart van de gevallen ging het om grapjes en opmerkingen die over hen werden gemaakt. In 60 procent van de gevallen ging het om ongewilde aanrakingen. En het moge duidelijk zijn, de gelegenheid schept de dief.

De hiërarchische positie op de werkvloer een invloed maakt de kans op seksueel overschrijdende situaties groter. Ruim 45% van de respondenten gaf aan dat de situatie zich voordeed tijdens de assistenten opleidingen, door iemand die hoger in de hiërarchie stond dan zijzelf. 20% van de geneeskundestudenten en assistenten meldt dat zij seksueel grensoverschrijdende situaties meemaken tijdens de opleiding en op de werkvloer. Vooral assistenten hebben het te verduren want zij lopen tweemaal zoveel kans verbaal aangerand te worden.

En in 2017 deed onze collega De Artsenkant een beperkte bevraging waarbij 12,5% van de artsen-respondenten seksueel grensoverschrijdend gedrag meldde. De vraag was wel van toepassing op de afgelopen tien jaar, en peilde naar grensoverschrijdend gedrag van andere artsen. Uit de bevraging bleek verder dat 38,2% procent van de bevraagden de afgelopen tien jaar een grensoverschrijdende situatie meemaakte met patiënten.

Recent deed zich een geval van zuivere aanranding voor in een UZ in het centrum van het land. Het slachtoffer, een patiënte, werd naar de psychiatrie verwezen. Uiteraard werden de nodige experten gevonden die de diagnose bevestigden. Zo lost men in een geest van naastenliefde deze problemen op.

Benieuwd of de minister het voorbeeld van haar Vlaamse collega zal volgen en een eigen onderzoek laat uitvoeren. Of misschien voelt de Orde, nu ze zich hervormd heeft daartoe geroepen.

Tenslotte nog dit: hoe bewust was de grensoverschrijdende arts van dit grensoverschrijdend gedrag?

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

Geneeskunde in postindustriële tijden

We zitten op het terras in de bocht van onze Waalse rivier en hebben het in de aanloop van de artsenverkiezingen over de staat van de geneeskunde en de laatste folie van Luc van Gorp: je moet niet gezond willen zijn, je moet gelukkig zijn.

Met de geneeskunde van vandaag is niemand gelukkig, zegt mijn vriend de huisarts, die sinds zijn pensionering een fatalistisch pessimisme hanteert en oud fruitbomen met drastisch snoeien tot nieuw leven dwingt. Volgens hem is de geneeskunde totaal ziek. Hij krijgt veel bijval. Maar als ik de vraag stel, hoe het zover is kunnen komen, moet hij het antwoord schuldig blijven. Ik refereer naar de theorie van John Heskett. Die Britse econoom beschreef op een boeiende manier hoe de industriële maatschappij gebruiksvoorwerpen maar ook diensten naar de knoppen heeft geholpen.

De jager-verzamelaars maakte zijn eigen gereedschap en was zijn eigen geneesheer. Omdat hij tegelijk gebruiker, ontwerper en maker was, kon hij zijn eigen gebruikersinzichten optimaal verwerken. De sedentaire boer deed een beroep op ambachtslui en op de sjamaan. Dat waren de eerste specialisten in hun vak. Zij genoten een opleiding, gingen in de leer en bewaakten angstvallig hun waardvolle kennis.

Gebruiker en maker, net als arts en patiënt, waren nu twee verschillende personen. En nu komt er een derde actor: ik gebruik het voorbeeld van een stoel. Bij de overgang naar industriële productie, viel de rol van meubelmaker ook uiteen: de ontwerper bedacht hoe de stoel eruit moest zien en de arbeiders van de producent maakten die. De consument had het te nemen of te laten. Net hetzelfde gebeurde al veel eerder met de geneeskunde. De academie bedacht hoe de geneeskunde eruit moest zien, de artsen pasten de theorie toe en de patiënt had het te nemen of te laten. Tussen academie en arts, kwam begin vorige eeuw de regulator die zich de rol van producent toe-eigende.

In deze postindustriële tijd ontstond een nieuw fenomeen: de gebruikersfeedback. Mensen waren de saaie, gebruiksonvriendelijke producten beu. Ze willen hun interieur zelf inrichten, met hun feedback moet de producent rekening houden. De ontwerper pretendeert die feedback perfect te begrijpen en vertaalt die in ontwerpen die de producent uitvoert. Daarnaast krijgt de consument opnieuw belangstelling voor vintage, artisanale of originele stoelen.

Maar in de geneeskunde heeft de producent geen boodschap aan die feedback en kan hij zich die houding permitteren omdat hij over een quasi monopolie beschikt. In je eigen huis pas je voortdurend van alles aan, dat kan je verbouwen. Zo optimaliseer je je oorspronkelijke ontwerp steeds verder. Dat kan, want je bent én gebruiker én ontwerper en als je ook maar een beetje handig bent ook maker. In de geneeskunde kan dat niet. Daar willen de producent, de overheid, en zijn marketeer, de verzekeraar, de regie over de maker en de markt blijven houden. Daar dienen regels en richtlijnen voor. De academie speelt daar graag in mee.

De voorbije decennia is de consument zich echter gaan realiseren dat hij eigen ideeën heeft over de diensten die hem verkocht worden. Daarvoor richtte hij patiëntenbelangenverenigingen op.

Je gaat kort door de bocht, zegt de huisarts, maar ik volg je. De eerste kajaks komen de rivier afgevaren. Achter de berg aan de overkant stapelen zich wolken op. De vogels fluiten. De artsensyndicaten hebben op hun beurt Twitter ontdekt. Onze smartphones tsjilpen. Achter ons blèrt een Fransman, wereldberoemd in de Ardennen, zoals dat hier alleen kan:

“Et tu chantes, chantes, chantes ce refrain qui te plaît,

Et tu tapes, tapes, tapes, c’est ta façon d’aimer,

Ce rythme qui t’entraîne jusqu’au bout de la nuit

Réveille en toi le tourbillon d’un vent de folie”

We besluiten nog een rondje Orval te nemen.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Chemotherapie bij borstkanker bij 70% onnodig

Duizenden borstkankerpatiënten hoeven na chirurgie geen chemotherapie, zo blijkt uit een studie die gisteren op ASCO werd voorgesteld. Het bespaart hen de bijwerkingen van de behandeling, zoals haaruitval, braken, onvruchtbaarheid en zelfs hartfalen. En bovendien bespaart Volksgezondheid zo 30.000€ per patiënt.

Uit de Tailorx trial, een 21-genen assay door professor Joseph Sparano van het Montefiore Medical Center in de Bronx, NY, kan ongeveer 70 procent van de patiënten die zijn gediagnosticeerd met de meest voorkomende van borstkanker zonder bijkomende chemotherapie. De onderzoekers brachten negen jaar lang bij 10.273 vrouwen met borstkanker (hormoonreceptor positief, HER-2 negatief) de activiteit van de genen in kaart, die wordt uitgedrukt in een score tussen 0 en 100. Uit eerdere studies is bekend dat een lage score (10 of lager) betekent dat vrouwen geen chemotherapie nodig hebben; bij een score van hoger dan 25 is dit juist wel het geval. De meeste vrouwen vallen echter in het interval 11 tot 25. De studie, onder leiding van het Montefiore Medical Center in New York, wees vrouwen met tussenscores ofwel chemotherapie plus hormoonbehandeling ofwel alleen hormoonbehandeling toe. Na ongeveer zeven jaar follow-up, waren de cijfers van ziekte – vrije overleving, kankeruitbreiding en algemene overleving bijna identiek. Alleen vrouwen jonger dan 50 jaar met scores tussen 16 en 25 bleken baat te hebben bij chemotherapie.

De trial van Sparano e.a. laat zien dat deze vrouwen, zeker als in de leeftijdsklasse van 50 tot 75 jaar vallen geen baat hebben bij deze behandeling. Voor vrouwen jonger dan 50 gaat dat op bij een score van 15 of lager. Er bestaat dus een grote “tussengroep” van patiënten gevonden voor wie chemotherapie na de operatie geen voordelen biedt en die veilig kan worden behandeld met uitsluitend hormoontherapie. Als de besluiten van de studie worden geïmplementeerd zal in de toekomst nog geen derde van de vrouwen met de meest voorkomende vorm van borstkanker nog chemotherapie krijgen, tegen nu de helft.

De vrouwen ondergaan de Oncotype DX test, die op de tumorbiopsie gebaseerd is, die tijdens chirurgie wordt genomen,en analyseert 21 genetische tellers in de kankercel. De monsters worden naar een laboratorium in Redwood (Californië) gestuurd en de resultaten worden binnen twee weken teruggestuurd naar oncologen. Het gevolg van onze ontdekking is groot, zei professor Joseph Sparano gisteren aan The New York Times: “De resultaten geven aan dat we ongeveer 70 procent van de patiënten die normaal gezien in aanmerking zouden komen voor chemotherapie, die behandeling kunnen besparen. De MammaPrint geeft enkel een zwart-witresultaat, de TAILORx geeft gradaties aan. Daardoor kun je een genuanceerdere inschatting maken over het al dan niet geven van chemotherapie”.

Maar dat wil niet zeggen dat het aantal chemotherapieën nu plots drastisch zal dalen. Daarvoor is er namelijk nog een groot knelpunt: de prijs van die moleculaire test. De kans op herval van één patiënt inschatten met de TAILORx, kost zo’n 4.000 $. De MammaPrint is ongeveer even duur, bijna 3.000 €.

De resultaten werden gisteren gepresenteerd op de jaarvergadering van de American Society of Clinical Oncology in Chicago en gelijktijdig gepubliceerd in het New England Journal of Medicine.

Professor Jacques De Grève, medisch oncoloog van het UZ Brussel, woonde de voorstelling van de studie bij in Chicago en is enthousiast over de resultaten. De test die zij gebruikt hebben, de TAILORx, is volgens hem namelijk bruikbaarder dan de MammaPrint die bij ons al beschikbaar is . Maar toch tekent hij enig voorbehoud aan. “Mochten de tests goedkoop zijn, dan was ik de grootste voorstander. Helaas zijn ze dat niet en dan moet je prioriteiten afwegen. Want stel dat zo’n moleculaire test straks terugbetaald wordt, dan gaat dat ettelijke miljoenen kosten. Ik vrees namelijk dat de test veel meer gebruikt zou worden dan strikt noodzakelijk is. Er is ook een goedkope pathologietest beschikbaar, die het hiaat voor een groot stuk kan opvangen.” Aldus De Grève in De Morgen.

Aangezien de sociale zekerheid in een krimpscenario zit, twijfelt De Grève of een terugbetaling wel zo aangewezen is. “Mijn collega’s zullen het niet graag horen, maar het is de realiteit. We zijn nu bijvoorbeeld heel blij met de terugbetaling van de immunotherapie, die willen we toch ook niet opgeven?”

De Grève hoopt dat het een oplossing kan zijn om de verschillende producenten van dergelijke tests tegen elkaar uit te spelen en een maximumaantal tests op te leggen. “Op die manier kan de prijs dan hopelijk wel gedrukt worden voor de patiënt.”

Minister De Block wil de resultaten van het onderzoek eerst bestuderen. Er moet eerst absolute zekerheid zijn over de betrouwbaarheid van de tests, klinkt het, alvorens er verdere maatregelen genomen kunnen worden.

https://www.nejm.org/doi/full/10.1056/NEJMoa1804710

Marc van Impe

Bron: MediQuality

 

De mythe over kankervlees is protestants bijgeloof

Over vlees worden elke dag nieuwe misverstanden gepubliceerd. Zo verscheen gisteren het bericht op de radar dat uit Spaans onderzoek zou blijken dat mensen die alleen kant-en-klare maaltijden eten waarin uiteraard vlees verwerkt werd, mogelijk een groter risico lopen op borstkanker. De wetenschappers “vonden” dat de vrouwen die een “ontstekingsdieet” volgden, dat deegwaren, rood en verwerkt vlees en volle zuivelproducten omvat, 39 % meer kans hebben om borstkanker te ontwikkelen.

En te pas en te onpas wordt daar het geruchtmakende IARC Meat Report uit 2015 bij gesleurd. Voedingswetenschappers zijn die situatie beu. Het is niet omdat beunhazen die te pas en te onpas in de media worden opgevoerd populaire nonsens vertellen dat de waarheid geweld mag aangedaan worden. De jongste campagne van Greenpeace is daar een schoolvoorbeeld van. Het gaat hem niet om de gezondheid van de burger maar om de financiële gezondheid van de NGO.

Laten we beginnen met de omgekeerde (Vlaamse) voedingsdriehoek, waar onverwerkt vlees helemaal onderaan, naast boter, wordt gecatalogeerd. Vleeswaren, dus alles wat verwerkt is, staan zelfs helemaal buiten de driehoek. Met daarbij de expliciete waarschuwing dat je er “zo weinig mogelijk” mag van eten. Die voedingsdriehoek heeft minder met wetenschap dan met sectair geloof te maken want het idee dat vlees zo niet gemeden dan wel vermeden moet worden, komt van Ellen White, voorgangster van het Kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten.

Deze 19de eeuwse sekte geloofde dat Jezus op 22 oktober 1844 terug zou komen op aarde. Quod non. Daarop kreeg mevrouw White een visioen waarin Jahweh haar vertelde dat hij zich ontzettend stoorde aan de eetgewoonten van haar tijdgenoten. Het liefst zag hij de spijswetten zoals die beschreven staan in Leviticus 11 (onder meer geen paarden- en varkensvlees, geen garnalen en geen ongeschubde vis) opnieuw ingevoerd. Mevrouw White wou de Here extra plezier doen en voegde rundsvlees, ham en worstjes aan het lijstje toe. Kosjer of halal eten, was maar half werk.

Voor de onderbouwing van de adventistische voedingstheorie wordt onder meer verwezen naar de 1 Korintiërs 6:19-20. Daarin wordt beschreven dat het lichaam een tempel is van de Heilige Geest, dat God eigenaar is van dit lichaam en dat mensen God met dit lichaam eer moeten bewijzen, en daarom moeten de adventisten deze tempel ook wat betreft voeding zo zuiver mogelijk houden en om zo “de Schepper verhogen”.

Maar een theorie werkt pas als ze een wetenschappelijke onderbouwing krijgt: daarom richtten de Adventisten universiteiten op zoals het Kettering Medical Institute en het Orlando Institute of Health die de propagandamachines geworden zijn van vegetariërs, flexitariërs en veganisten.

Om de haverklap wordt onze mailbox overstroomd met belangrijke studies die het nut van deze heilsdiëten onderstrepen en die graag geciteerd worden in de media. Dat nota bene de cornflakes, de minst aangeraden gefabriceerde voeding, uitgevonden werden door de zevendedagsadventist John Harvey Kellogg (1852-1943) niet zo goed passen in hun gerichtheid op gezonde voeding, wordt daarbij zuinigjes verzwegen. Kellogg was ook de uitvinder van de pindakaas. Er zijn ondertussen Adventistische universiteiten op alle continenten die bijna allemaal de Health Sciences in hun vaandel voeren.

Professor ir. Frédéric Leroy (VUB), ook voorzitter van de Belgian Association of Meat Sciences & Technology (BAMST), krijgt er een punthoofd van. De Greenpeace-campagne rond Maya de Bij, die sigaretten uitdeelt aan kinderen, wou er nog eens de aandacht op vestigen. Wie verwerkt vlees eet, krijgt geheid kanker, zegt Greepaece en verwijst daarbij naar de nodige wetenschappelijke data van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die inderdaad lijkt te stellen dat verwerkt vlees behoort tot de zogenaamde groep 1: ‘kankerverwekkend voor mensen’.

Professor Stefaan De Smet (UGent) werkte mee aan een rapport van het International Agency for Research on Cancer (IARC), waar het WHO zich dan weer op baseert. “Greenpeace heeft de wetenschappelijke data daar misbruikt”, zegt De Smet. “De IARC heeft gesteld dat een hoog verbruik van vleeswaren een licht verhoogd risico op darmkanker inhoudt. Maar dan moet het al meerdere keren per dag op het menu staan. Ik vergelijk het graag met zonlicht. Overdreven blootstelling is zeker schadelijk, maar dat betekent niet dat je niet in de zon mag lopen. Integendeel. Je kunt dus niet zomaar stellen dat alle vleeswaren ongezond zijn.”

In hetzelfde rapport van het IARC (uit 2015 dat een meta-analyse is van 800 wetenschappelijke studies, probeerden de onderzoekers uit te vinden hoe sterk het verband is tussen rood vlees en dikkedarmkanker, maar dat bewijs bleef uit. Uit het rapport bleek vooral dat het eten van meer of minder rood vlees een relatief effect heeft op je kans om kanker te krijgen. Als iemand per dag 100 gram meer rood vlees eet, dan stijgt die kans met 17 procent. “Dat betekent dus niet dat je het niet meer mag eten”, zegt De Smet.

“Rood vlees heeft wel degelijk een plaats in ons dieet, maar je moet de voordelen afwegen tegenover het risico. Daarom zegt de WHO dat het prima is om tot 500 gram rood vlees te eten per week.” Ook het idee dat er een verband is tussen varkensvlees, cholesterol en hart- en vaatziekten blijkt niet te kloppen. Dit verband zag het licht in de jaren 50 en 60, op basis van onderzoek dat toen uitwees dat er een “hypothetisch” verband was tussen de drie.

Verzadigde vetzuren en cholesterol zouden gif zijn. Die hypothese is ondertussen meermaals ontkracht. Zegt professor De Smet: “De cholesterol die je via de voeding inneemt is verwaarloosbaar in vergelijking met wat je lichaam sowieso al aanmaakt.”

Marc van Impe

https://en.wikipedia.org/wiki/Seventh-day_Adventist_Church

http://www.bamst.be/publications/

Bron: MediQuality

Grote gezinnen bezorgen moeders een zwak hart

Moeders met drie of meer kinderen dragen een groter risico om een hartaanval te krijgen, zo blijkt uit een nieuwe studie. “Hoe meer kinderen een vrouw heeft, hoe groter de kans dat ze een hartaanval of beroerte krijgt. De inspanning bij het dragen en het tillen van een kind schijnt slecht te zijn voor het hart”, zegt Clare Oliver-Williams, van de Universiteit van Cambridge.

“Bovendien blijkt het grootbrengen van kinderen, ook zeer stressvol te zijn.” Zij bekeek de gegevens van 8.583 vrouwen tussen 45 en 64 jaar die gedurende drie decennia werden gevolgd, waarbij 843 vrouwen een hartaanval kregen, 750 een CVA opliepen en 1352 hartproblemen op lange termijn ontwikkelden.

In procenten uitgedrukt betekent dit dat vrouwen met vijf of meer kinderen 38 % eerder in het ziekenhuis terechtkwamen met een hartaanval, 29 % maakte meer kans om aan een hartkwaal te lijden, 17 % kreeg eerder hartritmestoornissen en 25 % kreeg eerder een CVA.

Dat borstvoeding bescherming zou bieden tegen cardiovasculaire risico’s kon niet bevestigd worden.

De resultaten werden dit weekend voorgesteld op de conferentie van de British Cardiovascular Society in Manchester .

https://www.cardiovascular.cam.ac.uk/directory/coliver-williams

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Wat heb je aan een minister die trots is?

Ik hoor een minister van Werk zeggen dat hij trots is op wat hij bereikt heeft. Er zouden minder langdurig zieken zijn. Dankzij zijn beleid. Een halfuur daarna weet ik al dat dit hol gezwets is. Zie mijn andere column. Trots?

Mijn kleindochter werd op een auditie geselecteerd voor het Koor van de Munt. Dit is echt waar. Ik ben apetrots. Wat me bij de gedachte brengt: Wat is trots eigenlijk? En waar is het nuttig voor?

Volgens de filosoof Thomas Hobbes in Leviathan (1651) is trots de vreugde die ontstaat door iemands voorstelling van zijn eigen macht en bekwaamheid, het “is die opgetogen stemming die we trots noemen”. „Als trots gegrond is op ervaring en op het verrichten van daden, is er geen verschil met zelfvertrouwen,” zegt Hobbes. “Maar als zij het gevolg is van het gevlei van anderen, of als iemand zich voorstelt dat hij tot grote daden in staat is louter om van deze gedachte te genieten, dan spreekt men van ijdelheid.” En met ijdelheid bedoelt Hobbes leegheid, ontdaan van inhoud. „ Een macht die alleen in iemands verbeelding bestaat, zet niet aan tot daden in tegenstelling tot gegrond zelfvertrouwen.”

Het individu is bij Hobbes geen superman, geen held en geen wijze, maar een anti-held, zoals onze minister bezeten van de wil zichzelf in stand te houden. Er is weinig verheffends aan het intermenselijke verkeer tussen hem en de lafhartige, zelfzuchtige trollen die met nepnieuws het internet teisteren: samen voeren ze een une comédie, une tragicomédie humaine op. Ze verscheuren elkaar zodra hun egoïstenharen overeind staan. Het zijn wolven. Een somber mannetje die Engelsman. Van hem is ook het gezegde: De mens is gelijk een wolf in relatie tot de medemens.

Ik denk dat in het dagelijks leven mijn zelfvertrouwen zich heel vaak ergens tussen de gegronde en de ijdele trots balanceert. Het gevlei van anderen neem ik als een voorschot op de gegronde trots. Feitelijk steunt deze trots nog niet op ervaring en verrichtte daden, toch is ze ook niet helemaal ijdel.

Iedereen is tegenwoordig trots. Maar waar zit dat? Ik bedoel, hoe voel je dat? Hoe wéét je dat je trots bent? Is trots niet één van die uitwassen van de sociale media? Kan je trots zijn op 124 likes? Op 1.000 volgelingen? Is een selfie niet hét voorbeeld van ijdele trots? Is trots dan geen vorm van narcisme? En waarom maakt trots me ongemakkelijk?

Toen ik nog in god geloofde en in het weekend naar de jeugdbeweging ging werd ik verondersteld trots te zijn op mijn uniform, op ons vaandel, op de groep waar ik deel van uitmaakte. Het is mij nooit gelukt. Mijn trots raakte maar niet verbonden met de collectieve maat, waarmee ik me moest onderwerpen aan de belangen van de groep. Ik ontleende mijn trots in de eerste plaats aan mijn individuele autonomie. De „eigen macht en bekwaamheid” die volgens Hobbes de opgetogen stemming is „die we trots noemen” schuilt juist in de mogelijkheid zichzelf de wet te stellen, los van de ander. Ik wil de eer aan mezelf te houden, in een wereld zonder god.

Als ik trots ben op mijn kleindochter, is dat omdat ik haar wil aanmoedigen en ook graag wat van haar succes meeneem. Als de minister trots is op iets wat hij niet bereikt heeft dan vraagt hij om ons gevlei en wil hij alleen uw stem meenemen.

Marc van Impe

Bron: MediQuality