Alcoholgebruik bij borstvoeding schaadt cognitieve vaardigheden bij kinderen. Roken doet dat niet.

Kinderen van wie de moeders alcohol consumeerden tijdens de lactatie hebben een grotere kans op “dosisafhankelijke verminderingen in het abstract redeneren op de leeftijd van 6 tot 7 jaar”, maar dat effect neemt wel af op de leeftijd van 8 tot 11 jaar, zo blijkt uit een studie die pas in Pediatrics verscheen.

Bovendien lijken de traditionele methoden die vrouwen gebruiken om de hoeveelheid alcohol in hun moedermelk na het drinken van alcohol te verminderen, op zijn best ondoeltreffend of onvoorspelbaar.

“Alcohol gaat snel over in moedermelk, in concentraties die vergelijkbaar zijn met de alcoholconcentratie in het moederbloed en vermindert de melkproductie. Hoewel het drinken van alcohol onmiddellijk na het voeden de blootstelling aan ethanol tot een minimum beperkt, gebruiken niet alle vrouwen deze techniek, en dergelijk voedingsgedrag kan gevolgen hebben”, schrijven de onderzoekers. Roken tijdens het geven van borstvoeding was niet gekoppeld aan een uitkomstvariabele inzake cognitie.

Pompen en dumpen, een gangbare praktijk waarbij vrouwen moedermelk korte tijd na alcoholconsumptie oppompen en weggooien, vermindert de ethanolconcentratie in moedermelk niet, omdat de concentratie in moedermelk hoog zal blijven zolang er alcohol in het bloed van de moeder aanwezig is, leggen de auteurs uit. Louisa Gibson en Melanie Porter van de Macquarie Universiteit, Sydney, Australië, publiceerden hun bevindingen online 30 Juli in de Pediatrics.

De onderzoekers analyseerden gegevens van Growing Up in Australië: een longitudinale studie van Australische kinderen. De studie omvat 5.107 zuigelingen die om de 2 jaar worden gescreend. De onderzoekers gebruikten multivariabele lineaire regressieanalyses om de associaties tussen alcoholconsumptie en roken door moeders die borstvoeding geven en de scores van nakomelingen te bestuderen op drie maten (Matrix Reasoning, Peabody Picture Vocabulary Test-Third Edition, en Who Are I?) in de tijd.

Borstgevoede baby’s van wie de moeder alcohol consumeerde, hadden eerder een lagere Matrix Redeneringsscore op 6-7 jaar (B coëfficiënt [B], -0,11; 95% betrouwbaarheidsinterval [CI], -0,18 tot -0,04; P = .01).

Deze corelatie was afwezig bij degenen die nog nooit borstvoeding had gegeven (B, -0.02; 95% CI, -0.20 tot 0.17; P = .87).

Deze bevinding suggereert dat “blootstelling aan alcohol via moedermelk verantwoordelijk was voor de bevindingen. Wat echter moeilijker is vast te stellen en te kwantificeren zijn de potentiële gevolgen van andere milieu en genetische risico’s die tot resultaten zoals deze kunnen leiden ,” schrijft Lauren M. Jansson, van Johns Hopkins Universiteit, Baltimore, Maryland, in een commentaar. “De bevinding is niet verrassend als we kijken naar de mogelijke farmacokinetische basis en de bekende schadelijke effecten van alcohol op zich ontwikkelende hersenen,” vervolgt Jansson. “Alcoholconcentraties in moedermelk lijken binnen 30 tot 60 minuten na inname op die in het bloed van de moeder; de hoeveelheid alcohol in moedermelk is ∼% tot 6% van de gewogen moederdosis, en pasgeborenen metaboliseren alcohol met ongeveer de helft van het percentage volwassenen.”

Pediatrics. Published online July 30, 2018. http://pediatrics.aappublications.org/content/142/2/e20174266

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Advertenties

Esthetische chirurgie aan de schandpaal: er bestaat niet zoiets als een normale vagina

Uiteraard zijn artsen gekant tegen vrouwelijke besnijdenis. Maar nogal wat esthetisch chirurgen, ook in de Westerse wereld, promoten wel een gelijkaardige vorm van vrouwenverminking want dit leidt tot groot gewin. En niet zelden tot frustratie bij de patiënt. Ook in ons land. Zwitserse wetenschappers nagelen de esthetisch chirurgen die zich daaraan bezondigen aan de schandpaal.

Er bestaat niet zoiets als een ‘normale’ vagina, zo concluderen wetenschappers in de grootste vulva-studie ooit. De onheilspellende toename van jonge vrouwen die geopereerd willen worden om hun geslachtsdelen bij te knippen zette de Zwitserse onderzoekers van, het Luzern Kantonziekenhuis ertoe de vulvas van 650 blanke vrouwen tussen de 15 en 84 jaar op te meten. De metingen van de binnen- en buitenste schaamlippen, clitoris, vaginale opening en perineum varieerden zo sterk dat ze zelfs geen ‘gemiddelde’ afmeting konden bieden voor een ‘normale’ vulva. De nieuwe studie van het Luzerner Kantonziekenhuis in Zwitserland, die eerder vorige week verscheen, vond de gemiddelde lengte van de binnenste schaamlippen 43 millimeter. De cohort varieerde echter van vijf tot 100 millimeter. De gemiddelde lengte van de buitenste schaamlippen was 80 millimeter, maar de resultaten varieerden van 12 tot 180. De gemiddelde clitorismeting was vijf millimeter breed, maar dat was tussen één millimeter en 22 millimeter. Voor clitorislengtes vonden ze het gemiddelde op zeven millimeter, maar de resultaten varieerden van 0,5 millimeter tot 34. Labiaplastie kan ernstige gevolgen hebben, ook voor de komende generaties zeggen de onderzoekers.

De grootte en afmetingen van vulvas variëren zo sterk dat de huidige trend om de vagina van een vrouw chirurgisch te ‘perfectioneren’ weinig zin heeft, waarschuwen gynaecologen. Zij noemen deze vorm van esthetische chirurgie oplichterij en een schande voor het medisch bedrijf. Ze zijn het eens met de beslissing van de verzekeringsmaatschappijen om deze cosmetische ingrepen alleen te vergoeden als er een medische reden voor is. Bovendien is er een ernstige medische keerzijde aan alle chirurgie, van pijn aan littekens tot zenuwschade.

Het aantal vrouwen dat operaties krijgt om hun vagina’s te vernauwen en te zelf weg te stoppen is de laatste jaren explosief gestegen. Op het buitenste deel van de vagina wordt een labiaplastie uitgevoerd, waarbij overtollig weefsel wordt bewerkt en verwijderd en de schaamlippen worden uitgevlakt. Sommige artsen verwijderen overtollig weefsel rond de clitoris (zogenaamde prepuce reduction), hoewel de meesten dit vermijden vanwege het risico van zenuwbeschadiging. Labiaplastie ontstond in de jaren 1960 als een vervolgprocedure op vaginaplastie, die gebruikt om de vaginawand na seksuele bevalling of seksueel geweld te herstructureren. Een recent proefonderzoek in Australië heeft uitgewezen dat een kwart van de labiaplasties wordt uitgevoerd op vrouwen tussen de vijf en vijfentwintig jaar – een trend die gynaecologen en plastisch chirurgen ook in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zien en zelfs via advertenties op het Google promoten. Onderzoek om deze trend te doorgronden toont aan dat pornografische beelden – van ‘minimalistische’ vulvas – en gefotoshopte social media posts de meest waarschijnlijke drijfveren zijn. Veel gynaecologen waarschuwen dat deze misvatting veel verder reikt dan de geseksualiseerde inhoud. Zelfs medische handboeken geven vaak een verkeerde voorstelling van vagina’s met cartoonachtige diagrammen van een vrouwelijke anatomie die er niet uitzien als het echte ding.

Uit een eerder dit jaar gepubliceerd onderzoek van de Universiteit van Calgary blijkt dat vrouwen of meisjes die labiaplastie overwegen voor puur esthetische doeleinden er meestal niet mee doorgaan nadat ze de verzekering hebben gekregen dat ze normaal zijn. Experts zeggen dat deze nieuwe Zwitserse studie, hoewel het ontbreekt aan raciale diversiteit, een mijlpaal is en een referentiepunt voor gynaecologen wereldwijd, kennis die ze moeten delen met patiënten die zich zorgen maken over hun uiterlijk.

Marc van Impe

https://obgyn.onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1111/1471-0528.15387?af=R

Bron: MediQuality

 

Chemotherapie bij borstkanker bij 70% onnodig

Duizenden borstkankerpatiënten hoeven na chirurgie geen chemotherapie, zo blijkt uit een studie die gisteren op ASCO werd voorgesteld. Het bespaart hen de bijwerkingen van de behandeling, zoals haaruitval, braken, onvruchtbaarheid en zelfs hartfalen. En bovendien bespaart Volksgezondheid zo 30.000€ per patiënt.

Uit de Tailorx trial, een 21-genen assay door professor Joseph Sparano van het Montefiore Medical Center in de Bronx, NY, kan ongeveer 70 procent van de patiënten die zijn gediagnosticeerd met de meest voorkomende van borstkanker zonder bijkomende chemotherapie. De onderzoekers brachten negen jaar lang bij 10.273 vrouwen met borstkanker (hormoonreceptor positief, HER-2 negatief) de activiteit van de genen in kaart, die wordt uitgedrukt in een score tussen 0 en 100. Uit eerdere studies is bekend dat een lage score (10 of lager) betekent dat vrouwen geen chemotherapie nodig hebben; bij een score van hoger dan 25 is dit juist wel het geval. De meeste vrouwen vallen echter in het interval 11 tot 25. De studie, onder leiding van het Montefiore Medical Center in New York, wees vrouwen met tussenscores ofwel chemotherapie plus hormoonbehandeling ofwel alleen hormoonbehandeling toe. Na ongeveer zeven jaar follow-up, waren de cijfers van ziekte – vrije overleving, kankeruitbreiding en algemene overleving bijna identiek. Alleen vrouwen jonger dan 50 jaar met scores tussen 16 en 25 bleken baat te hebben bij chemotherapie.

De trial van Sparano e.a. laat zien dat deze vrouwen, zeker als in de leeftijdsklasse van 50 tot 75 jaar vallen geen baat hebben bij deze behandeling. Voor vrouwen jonger dan 50 gaat dat op bij een score van 15 of lager. Er bestaat dus een grote “tussengroep” van patiënten gevonden voor wie chemotherapie na de operatie geen voordelen biedt en die veilig kan worden behandeld met uitsluitend hormoontherapie. Als de besluiten van de studie worden geïmplementeerd zal in de toekomst nog geen derde van de vrouwen met de meest voorkomende vorm van borstkanker nog chemotherapie krijgen, tegen nu de helft.

De vrouwen ondergaan de Oncotype DX test, die op de tumorbiopsie gebaseerd is, die tijdens chirurgie wordt genomen,en analyseert 21 genetische tellers in de kankercel. De monsters worden naar een laboratorium in Redwood (Californië) gestuurd en de resultaten worden binnen twee weken teruggestuurd naar oncologen. Het gevolg van onze ontdekking is groot, zei professor Joseph Sparano gisteren aan The New York Times: “De resultaten geven aan dat we ongeveer 70 procent van de patiënten die normaal gezien in aanmerking zouden komen voor chemotherapie, die behandeling kunnen besparen. De MammaPrint geeft enkel een zwart-witresultaat, de TAILORx geeft gradaties aan. Daardoor kun je een genuanceerdere inschatting maken over het al dan niet geven van chemotherapie”.

Maar dat wil niet zeggen dat het aantal chemotherapieën nu plots drastisch zal dalen. Daarvoor is er namelijk nog een groot knelpunt: de prijs van die moleculaire test. De kans op herval van één patiënt inschatten met de TAILORx, kost zo’n 4.000 $. De MammaPrint is ongeveer even duur, bijna 3.000 €.

De resultaten werden gisteren gepresenteerd op de jaarvergadering van de American Society of Clinical Oncology in Chicago en gelijktijdig gepubliceerd in het New England Journal of Medicine.

Professor Jacques De Grève, medisch oncoloog van het UZ Brussel, woonde de voorstelling van de studie bij in Chicago en is enthousiast over de resultaten. De test die zij gebruikt hebben, de TAILORx, is volgens hem namelijk bruikbaarder dan de MammaPrint die bij ons al beschikbaar is . Maar toch tekent hij enig voorbehoud aan. “Mochten de tests goedkoop zijn, dan was ik de grootste voorstander. Helaas zijn ze dat niet en dan moet je prioriteiten afwegen. Want stel dat zo’n moleculaire test straks terugbetaald wordt, dan gaat dat ettelijke miljoenen kosten. Ik vrees namelijk dat de test veel meer gebruikt zou worden dan strikt noodzakelijk is. Er is ook een goedkope pathologietest beschikbaar, die het hiaat voor een groot stuk kan opvangen.” Aldus De Grève in De Morgen.

Aangezien de sociale zekerheid in een krimpscenario zit, twijfelt De Grève of een terugbetaling wel zo aangewezen is. “Mijn collega’s zullen het niet graag horen, maar het is de realiteit. We zijn nu bijvoorbeeld heel blij met de terugbetaling van de immunotherapie, die willen we toch ook niet opgeven?”

De Grève hoopt dat het een oplossing kan zijn om de verschillende producenten van dergelijke tests tegen elkaar uit te spelen en een maximumaantal tests op te leggen. “Op die manier kan de prijs dan hopelijk wel gedrukt worden voor de patiënt.”

Minister De Block wil de resultaten van het onderzoek eerst bestuderen. Er moet eerst absolute zekerheid zijn over de betrouwbaarheid van de tests, klinkt het, alvorens er verdere maatregelen genomen kunnen worden.

https://www.nejm.org/doi/full/10.1056/NEJMoa1804710

Marc van Impe

Bron: MediQuality

 

De mythe over kankervlees is protestants bijgeloof

Over vlees worden elke dag nieuwe misverstanden gepubliceerd. Zo verscheen gisteren het bericht op de radar dat uit Spaans onderzoek zou blijken dat mensen die alleen kant-en-klare maaltijden eten waarin uiteraard vlees verwerkt werd, mogelijk een groter risico lopen op borstkanker. De wetenschappers “vonden” dat de vrouwen die een “ontstekingsdieet” volgden, dat deegwaren, rood en verwerkt vlees en volle zuivelproducten omvat, 39 % meer kans hebben om borstkanker te ontwikkelen.

En te pas en te onpas wordt daar het geruchtmakende IARC Meat Report uit 2015 bij gesleurd. Voedingswetenschappers zijn die situatie beu. Het is niet omdat beunhazen die te pas en te onpas in de media worden opgevoerd populaire nonsens vertellen dat de waarheid geweld mag aangedaan worden. De jongste campagne van Greenpeace is daar een schoolvoorbeeld van. Het gaat hem niet om de gezondheid van de burger maar om de financiële gezondheid van de NGO.

Laten we beginnen met de omgekeerde (Vlaamse) voedingsdriehoek, waar onverwerkt vlees helemaal onderaan, naast boter, wordt gecatalogeerd. Vleeswaren, dus alles wat verwerkt is, staan zelfs helemaal buiten de driehoek. Met daarbij de expliciete waarschuwing dat je er “zo weinig mogelijk” mag van eten. Die voedingsdriehoek heeft minder met wetenschap dan met sectair geloof te maken want het idee dat vlees zo niet gemeden dan wel vermeden moet worden, komt van Ellen White, voorgangster van het Kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten.

Deze 19de eeuwse sekte geloofde dat Jezus op 22 oktober 1844 terug zou komen op aarde. Quod non. Daarop kreeg mevrouw White een visioen waarin Jahweh haar vertelde dat hij zich ontzettend stoorde aan de eetgewoonten van haar tijdgenoten. Het liefst zag hij de spijswetten zoals die beschreven staan in Leviticus 11 (onder meer geen paarden- en varkensvlees, geen garnalen en geen ongeschubde vis) opnieuw ingevoerd. Mevrouw White wou de Here extra plezier doen en voegde rundsvlees, ham en worstjes aan het lijstje toe. Kosjer of halal eten, was maar half werk.

Voor de onderbouwing van de adventistische voedingstheorie wordt onder meer verwezen naar de 1 Korintiërs 6:19-20. Daarin wordt beschreven dat het lichaam een tempel is van de Heilige Geest, dat God eigenaar is van dit lichaam en dat mensen God met dit lichaam eer moeten bewijzen, en daarom moeten de adventisten deze tempel ook wat betreft voeding zo zuiver mogelijk houden en om zo “de Schepper verhogen”.

Maar een theorie werkt pas als ze een wetenschappelijke onderbouwing krijgt: daarom richtten de Adventisten universiteiten op zoals het Kettering Medical Institute en het Orlando Institute of Health die de propagandamachines geworden zijn van vegetariërs, flexitariërs en veganisten.

Om de haverklap wordt onze mailbox overstroomd met belangrijke studies die het nut van deze heilsdiëten onderstrepen en die graag geciteerd worden in de media. Dat nota bene de cornflakes, de minst aangeraden gefabriceerde voeding, uitgevonden werden door de zevendedagsadventist John Harvey Kellogg (1852-1943) niet zo goed passen in hun gerichtheid op gezonde voeding, wordt daarbij zuinigjes verzwegen. Kellogg was ook de uitvinder van de pindakaas. Er zijn ondertussen Adventistische universiteiten op alle continenten die bijna allemaal de Health Sciences in hun vaandel voeren.

Professor ir. Frédéric Leroy (VUB), ook voorzitter van de Belgian Association of Meat Sciences & Technology (BAMST), krijgt er een punthoofd van. De Greenpeace-campagne rond Maya de Bij, die sigaretten uitdeelt aan kinderen, wou er nog eens de aandacht op vestigen. Wie verwerkt vlees eet, krijgt geheid kanker, zegt Greepaece en verwijst daarbij naar de nodige wetenschappelijke data van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die inderdaad lijkt te stellen dat verwerkt vlees behoort tot de zogenaamde groep 1: ‘kankerverwekkend voor mensen’.

Professor Stefaan De Smet (UGent) werkte mee aan een rapport van het International Agency for Research on Cancer (IARC), waar het WHO zich dan weer op baseert. “Greenpeace heeft de wetenschappelijke data daar misbruikt”, zegt De Smet. “De IARC heeft gesteld dat een hoog verbruik van vleeswaren een licht verhoogd risico op darmkanker inhoudt. Maar dan moet het al meerdere keren per dag op het menu staan. Ik vergelijk het graag met zonlicht. Overdreven blootstelling is zeker schadelijk, maar dat betekent niet dat je niet in de zon mag lopen. Integendeel. Je kunt dus niet zomaar stellen dat alle vleeswaren ongezond zijn.”

In hetzelfde rapport van het IARC (uit 2015 dat een meta-analyse is van 800 wetenschappelijke studies, probeerden de onderzoekers uit te vinden hoe sterk het verband is tussen rood vlees en dikkedarmkanker, maar dat bewijs bleef uit. Uit het rapport bleek vooral dat het eten van meer of minder rood vlees een relatief effect heeft op je kans om kanker te krijgen. Als iemand per dag 100 gram meer rood vlees eet, dan stijgt die kans met 17 procent. “Dat betekent dus niet dat je het niet meer mag eten”, zegt De Smet.

“Rood vlees heeft wel degelijk een plaats in ons dieet, maar je moet de voordelen afwegen tegenover het risico. Daarom zegt de WHO dat het prima is om tot 500 gram rood vlees te eten per week.” Ook het idee dat er een verband is tussen varkensvlees, cholesterol en hart- en vaatziekten blijkt niet te kloppen. Dit verband zag het licht in de jaren 50 en 60, op basis van onderzoek dat toen uitwees dat er een “hypothetisch” verband was tussen de drie.

Verzadigde vetzuren en cholesterol zouden gif zijn. Die hypothese is ondertussen meermaals ontkracht. Zegt professor De Smet: “De cholesterol die je via de voeding inneemt is verwaarloosbaar in vergelijking met wat je lichaam sowieso al aanmaakt.”

Marc van Impe

https://en.wikipedia.org/wiki/Seventh-day_Adventist_Church

http://www.bamst.be/publications/

Bron: MediQuality

Grote gezinnen bezorgen moeders een zwak hart

Moeders met drie of meer kinderen dragen een groter risico om een hartaanval te krijgen, zo blijkt uit een nieuwe studie. “Hoe meer kinderen een vrouw heeft, hoe groter de kans dat ze een hartaanval of beroerte krijgt. De inspanning bij het dragen en het tillen van een kind schijnt slecht te zijn voor het hart”, zegt Clare Oliver-Williams, van de Universiteit van Cambridge.

“Bovendien blijkt het grootbrengen van kinderen, ook zeer stressvol te zijn.” Zij bekeek de gegevens van 8.583 vrouwen tussen 45 en 64 jaar die gedurende drie decennia werden gevolgd, waarbij 843 vrouwen een hartaanval kregen, 750 een CVA opliepen en 1352 hartproblemen op lange termijn ontwikkelden.

In procenten uitgedrukt betekent dit dat vrouwen met vijf of meer kinderen 38 % eerder in het ziekenhuis terechtkwamen met een hartaanval, 29 % maakte meer kans om aan een hartkwaal te lijden, 17 % kreeg eerder hartritmestoornissen en 25 % kreeg eerder een CVA.

Dat borstvoeding bescherming zou bieden tegen cardiovasculaire risico’s kon niet bevestigd worden.

De resultaten werden dit weekend voorgesteld op de conferentie van de British Cardiovascular Society in Manchester .

https://www.cardiovascular.cam.ac.uk/directory/coliver-williams

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Diepe hersenstimulatie (DBS) reguleert bloedsuiker

Onderzoekers van het AMC en de universiteit Yale hebben aangetoond dat elektrische stimulatie van de hersenen (Deep Brain Stimulation of DBS) de bloedsuikerregulatie bij mensen verbetert.

Dit publiceren zij vanavond in Science Translational Medicine. Het onderzoek brengt voor het eerst de relatie tussen elektrische stimulatie van de hersenen en insulineregulatie in beeld, en kan in de toekomst leiden tot nieuwe behandelmogelijkheden voor mensen met diabetes type 2.

Onderzoek bij dieren heeft laten zien dat de hersenen een rol hebben in de bloedsuikerregulatie. Voor het eerst is aangetoond dat deze suikerregulatie verbetert door de elektrische stimulatie (DBS) van een hersengebied dat gevoelig is voor beloningen, en dat de eetlust reguleert.

In het AMC wordt DBS al langer toegepast bij Parkinson en bij ernstige dwangstoornissen. Hoofdonderzoeker en internist-endocrinoloog dr. Mireille Serlie bestudeerde een patiënt met diabetes die voor zijn dwangstoornis werd behandeld met DBS en vond een verbetering in de bloedsuikerregulatie. Dit gaf aanleiding tot verder onderzoek. Ze ontdekte dat bij patiënten met een dwangstoornis DBS de werking van het hormoon insuline versterkt. Het hormoon insuline houdt de bloedsuikerspiegel in evenwicht.

Al eerder toonden onderzoekers van het AMC aan dat DBS in dit hersengebied de neurotransmitter dopamine verhoogt. Dopamine is een signaalstof die betrokken is bij eetlust en de motivatie om te gaan eten. De onderzoekers beredeneerden dat dopamine in dit hersengebied invloed heeft op de bloedsuikerregulatie door de werking van insuline te verhogen. Zij testten vervolgens of het omgekeerde dan ook waar was: een tekort aan dopamine verslechterde inderdaad de bloedsuikerwaarde. Tot slot werd, door onderzoekers van de universiteit Yale in de VS, bevestigd dat specifieke stimulatie van dopaminecellen in muizen de bloedsuiker verlaagt.

“Deze studie toont aan dat elektrische manipulatie van een specifiek gebied in de hersenen de bloedsuikerregulatie verbetert. Deze studie vormt de basis voor verder onderzoek naar de mogelijkheid van de behandeling van suikerziekte via medicamenteuze, elektrische of misschien wel magnetische beïnvloeding van de hersenen”, aldus Serlie. In de komende jaren moet onderzoek aantonen hoe de hersenen via dopamine de bloedsuikerspiegel verlagen en welk hersengebied de grootste rol speelt bij de beïnvloeding van de bloedsuiker, en daarmee het meest in aanmerking komt voor behandeling.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Waarom is EHBO geen verplicht vak op school?

Ik zag een man sterven op straat. Ik reed in de file naar huis toen ik hem in elkaar zag zakken op het voetpad. Er liep heel wat volk in de straat. Onmiddellijk ontstond er een oploopje. Sommige mensen namen een foto, andere bleven werkeloos staan. Een vrouw belde de hulpdiensten. Ik stond in de vijfde rij in de Wetstraat. Die avond las ik dat de man een hartstilstand had gekregen. Blijkbaar had niemand aan hartmassage gedacht. Laat staan dat er in de hoofdstad van Europa een AED beschikbaar zou zijn en dat iemand van de omstaanders die had kunnen bedienen.

Dagelijks lopen mensen in ons land onnodig letsel op door de gebrekkige kennis van omstanders over levensreddend handelen. Eerste hulp kan echt het verschil maken. Maar wie die technieken onder de knie wil krijgen moet zelf initiatief nemen. Naar hoeveel Belgen voldoende kennis over EHBO hebben, hebben we het raden. Ik stel me de vraag waarom EHBO niet tot het verplichte lessenpakket hoort in de middelbare school.

In Noorwegen werd EHBO ingevoerd in het vaste lesprogramma op de middelbare school, en daar bezit naar schatting 90 procent van de Noren deze kennis. Ook in Denemarken is onderwijs over eerste hulp een lesonderdeel op de middelbare school. Daarnaast wordt in Denemarken – net als in Duitsland – een EHBO-cursus gevolgd bij het behalen van het rijbewijs. Het aantal geslaagde reanimaties in Denemarken is sindsdien verdrievoudigd. Uit medisch wetenschappelijk onderzoek blijkt overigens dat eerstehulponderwijs op middelbare scholen zorgt voor een verbetering van de volksgezondheid én verlaging van kosten in de zorg. Hoe eerder gestart wordt met reanimatie, hoe lager de ziekenhuis- en verpleegkosten zullen zijn.

De Wereldgezondheidsorganisatie adviseert dan ook reanimatieonderwijs te geven aan kinderen vanaf 12 jaar. In Nederland doet een werkgroep van een tiental wetenschappers verbonden aan het UMC Utrecht onderzoek naar het te verwachten effect van onderwijs over levensreddend handelen op middelbare scholen in Nederland.

Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat het onderwijs minimaal in twee opeenvolgende jaren wordt gegeven (bijvoorbeeld het tweede en derde lesjaar) zodat de kennis beter beklijft. Verder wordt in het onderzoek zowel gekeken naar het effect op de volksgezondheid, alsook naar de (besparing op) de kosten in de zorg. “De eerste resultaten van dit onderzoek laten zien dat snel ingrijpen door omstanders een maximale besparing zou kunnen opleveren van 280 miljoen euro per jaar. De kosten die gemoeid zijn met het subsidiëren van levensreddend onderwijs – circa 5 miljoen euro – zijn slechts een fractie van dit bedrag. Sterker nog, als in slechts 2 procent van de gevallen adequaat door omstanders wordt gehandeld, zijn deze kosten gedekt, ” schrijft dr. Bernard Leenstra in De Volkskrant.

Leenstra zegt dat reanimatieonderwijs op middelbare scholen een grote stap voorwaarts zou zijn, maar niet voldoende is. “Naast een hartstilstand zijn er immers nog andere potentieel levensbedreigende aandoeningen waarbij omstanders het verschil kunnen maken. Ter vergelijking: per dag worden in Nederland ongeveer veertig reanimaties uitgevoerd buiten het ziekenhuis terwijl er ruim vijfhonderd mensen per dag gebaat zijn bij goede eerstehulpverlening op locatie.

Een analyse van zowel de medische wetenschappelijke literatuur alsook ongevallen en aandoeningen in Nederland laat zien dat er zeker zes onderwerpen zijn waarbij eerste hulpverlening door omstanders het verschil tussen leven en dood kan betekenen, te weten: hartstilstand, epilepsie, beroerte, verdrinking, brandwonden en bloedingen. Deze zes onderwerpen hebben twee belangrijke overeenkomsten. Allereerst is het handelen in de eerste minuten van directe invloed op de mate van herstel en/of overleven van het slachtoffer. Ten tweede zijn dit aandoeningen waarbij een leek (door het uitvoeren van relatief simpele handelingen) een significant verschil kan maken. Deze onderwerpen omvatten kortgezegd ‘levensreddend handelen’. Door gebruik te maken van de nieuwste onderwijstechnieken is het mogelijk een effectieve praktijkgerichte cursus levensreddend handelen te verzorgen in slechts drie uur tijd.”

Kortom, die kosten lijken ruimschoots te worden gedekt door de besparingen op de (indirecte) kosten in de zorg, zoals de kortere duur van intensieve zorg-opnames, vermindering van het aantal onnodige ambulanceritten en reductie van verpleeg- en revalidatiekosten. “Ons onderzoek leidt al tot de voorzichtige conclusie dat de regering implementatie en subsidiëring van onderwijs over levensreddend handelen op middelbare scholen serieus zou moeten overwegen,” besluit hij.

Waar wachten onze ministers nog op? De mensen vallen dood voor hun deur.

http://www.ifrc.org/Global/Publications/Health/First-Aid-2016-Guidelines_EN.pdf

Marc van Impe

Bron: MediQuality