ME/CVS: Cochrane wijst Pace Trial af

Minister Maggie De Block vroeg bij haar aantreden haar administratie een adviesnota voor te bereiden in verband met het te volgen beleid inzake ME/CVS. Het Riziv schoof die opdracht door naar het expertisecentrum van de KULeuven. Uit welingelichte bron vernemen we dat dit advies van de Leuvense experten tot in de details de conclusies volgt van de Britse Pace-studie waarover we hier al uitgebreid bericht hebben.

Deze studie werd zowel door de wetenschappelijke wereld als door de patiëntenorganisaties afgeschoten wegens gemanipuleerd, onvolledig en politiek geïnspireerd en komt er op neer dat ME/CVS-patiënten enkel kunnen geholpen worden met psychotherapie (CGT) en kinesitherapie (Graded Excercise). Vandaag raakte bekend dat de Cochrane Collaboration een verklaring gepubliceerd heeft waarin staat dat de Pace Trial niet voldoet aan de “kwaliteitsnormen” van de organisatie.

Op verzoek van de Cochrane Collaboration hadden de auteurs van de Pace Trial hun werk uit 2011 overgedaan en correcties aangebracht. Maar ook dit volstaat niet aldus Cochrane. De studie is een methodologische puinhoop, aldus Cochrane. Twee patiënten -Tom Kindlon en wijlen Robert Courtney- hadden na publicatie in 2014 uitgebreide en overtuigende kritiek uitgebracht. Hun schrijven werd gesteund door meer dan honderd academici, patiëntengroepen, advocaten en politici die in een open brief aan de Lancet opriepen tot een onafhankelijke re-analyse.

Toen de hoofdauteurs , de professoren Peter White, Trudie Chalder en Michael Sharpe dit weigerden en ze daarin gesteund werden door professor Simon Wessely , diende Robert Courtney een formele klacht bij Cochrane. Cochrane vond de klacht gegrond en had onlangs de auteurs een kans om hun werk dienovereenkomstig te herzien. Het is de herziening die Cochrane nu onbevredigend heeft geacht.

De Pace Trial, die 5 miljoen pond gekost had, bepaalt in Engeland en ook ons land het officiële beleid inzake ME/CVS. Psychiater Wessely, die voorzitter is van het Royal College of Psychiatrists blijft de studie verdedigen: ” This trial was a landmark in behavioral complex intervention studies,” zegt hij.

Het is nu de vraag wat de minister gaat doen?

Marc van Impe

Bron: MediQuality

BMJ 2018; 362 doi: https://doi.org/10.1136/bmj.k3621 en https://me-pedia.org/wiki/PACE_trial

http://www.virology.ws/2018/12/03/trial-by-error-some-good-news-on-cochrane/

Advertenties

Meer levercirrose bij koude winters

Wie zich afvraagt waarom de mensen geneigd meer te drinken als het buiten koud is en de nachten langer zijn, die vindt een antwoord in een nieuwe wetenschappelijke studie, uitgevoerd door het Pittsburgh Liver Research Centre in de VS en deze maand gepubliceerd in het Hepatology Journal.

Die studie toont aan dat er een direct verband bestaat tussen dalende temperaturen en uren zonlicht en een verhoogd alcoholverbruik. “Het is iets wat iedereen decennialang aannam, maar wat niemand wetenschappelijk aangetoond had”, aldus Dr. Ramon Bataller, professor aan de Universiteit van Pittsburgh. Er zijn twee verklaringen: je voelt je warmer na een glas alcohol omdat de drank als vaatverwijdend middel fungeert, de bloedvaten ontspant en de doorstroming van warm bloed naar de huid verhoogt. De tweede reden waarom je misschien meer wilt drinken is dat kortere dagen en langere nachten en koude ook verband houden met depressie, waarvan al lang bekend is dat het drinken stimuleert. Een gevolg is een groter risico op alcoholische cirrose, wat overigens ook wordt bepaald door genetische factoren. Cirrose komt vaker voor in het noorden van de VS.

De onderzoekers wilden weten of het klimaat een oorzakelijk effect heeft op alcoholconsumptie en de impact ervan op alcoholische cirrose. Ze verzamelden gegevens uit 193 landen en uit 50 staten en 3.144 counties in de Verenigde Staten.

De data waren afkomstig van onder andere de Wereldgezondheidsorganisatie, de Wereld Meteorologische Organisatie en het Institute on Health Metrics and Evaluation. De klimaatparameters waren gebaseerd op de Koppen-Geiger classificatie, de gemiddelde jaarlijkse zonne-uren en de gemiddelde jaarlijkse temperatuur. Alcoholconsumptiegegevens, drinkpatroon, gezondheidsindicatoren en de alcoholtoerekenbare fractie (AAF) van cirrose werden gecorreleerd an daaruit bleek dat er een omgekeerde correlatie bestaat tussen de gemiddelde temperatuur en het gemiddelde aantal uren zonneschijn per jaar en de liters jaarlijks alcoholgebruik per hoofd van de bevolking.

Hoe kouder het wordt des te hoger het percentage zwaar episodisch drinkers. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) was ongeveer 5,9% van alle sterfgevallen in 2014 toe te schrijven aan alcoholmisbruik, tegenover 4% in 2004. Oost-Europa in zijn totaal heeft met 15,7 liter alcohol per persoon de hoogste jaarlijkse consumptie per hoofd van de bevolking.

De Moldaviërs staan op de eerste plaats met 17,4 liter alcohol per persoon per jaar. Na Moldavië, volgt Wit-Rusland met 17,1 liter alcohol per persoon. Litouwen sluit de top-3 af met 16,2 liter alcohol. Noord-Afrika en het Midden-Oosten daarentegen heeft met 1,0 L per persoon de laagste consumptie per hoofd van de bevolking. In Libië, Mauritanië en Pakistan wordt het minste alcohol gedronken. Daaruit blijkt dat niet alleen klimaatgerelateerde variabelen, maar ook culturele en religieuze factoren een invloed hebben. In een lijst van landen waar het meeste alcohol wordt gedronken, staat België pas op de 31ste plaats.

België staat op de 31ste plaats, net voor Duitsland, Spanje en Zwitserland. Hoewel het cijfer van België slechter kan, wil dat niet zeggen dat we daarom goed bezig zijn. Zo kampt maar liefst één op de tien Belgen met een alcoholprobleem. Het dagelijks gebruik van alcohol is significant verschillend tussen Vlaanderen en Brussel, maar niet tussen Brussel en Wallonië. Het Waals Gewest, waar het ’s winters flink kouder is, onderscheidt zich van de andere gewesten door een hogere gemiddelde consumptie zijnde 12 glazen alcohol per week tegen 10 elders. Het percentage personen met leverlijden vertoont geen belangrijke regionale verschillen. In Vlaanderen is dat 0,3%, in Franstalig België 0,5%.

Hepatology. 2018 Oct 16. doi: 10.1002/hep.30315. [Epub ahead of print]

https://www.livercenter.pitt.edu/sites/default/files/Ventura-Cots_et_al-2018-Hepatology.pdf

https://his.wiv-isp.be/nl/Gedeelde%20%20documenten/AL_NL_2008.pdf

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

Zorgnetwerk Briant organiseert symposium voor huisartsen

Afgelopen zaterdag organiseerden het Imeldaziekenhuis (Bonheiden), het H.-Hartziekenhuis (Lier), het AZ Sint-Maarten (Mechelen) en het AZ Jan Portaels (Vilvoorde) een symposium voor artsen en huisartsen uit de regio. Tijdens het evenement, dat in het teken stond van samenwerking in de oncologische zorg, werd ook de naam ‘Briant’ en bijhorend logo van het zorgnetwerk uit de doeken gedaan.

De 140 aanwezigen zagen bij aanvang van het evenement toe hoe netwerkvoorzitter Guido Van Oevelen het symposium inleidde door de naam Briant en de bijhorende huisstijl te presenteren. “De naam Briant verwijst naar het zorggebied van het netwerk, dat het noorden van de provincie BRabant en het zuiden van de provincie ANTwerpen omvat”, aldus Van Oevelen. “Het netwerk situeert zich binnen een drukbevolkt gebied tussen grootsteden BRussel en ANTwerpen. De zorg binnen Briant is niet alleen kwaliteitsvol, maar ook toegankelijk en vooral persoonlijk. De netwerkziekenhuizen zullen in hun zorgaanbod en in hun dienstverlening inspelen op het karakter van deze interstedelijke, centrale regio. We willen meer zijn dan louter de optelsom van vier individuele ziekenhuizen. Verbinden en expertise delen staan centraal.”

“De naam Briant roept voor sommigen de connotatie op met het begrip ‘Briljant'”, gaat de netwerkvoorzitter verder. “Briljant kan geïnterpreteerd worden als ‘best-in-class’. Als netwerk in opbouw kunnen we deze claim vandaag misschien nog niet rechtvaardigen, maar de ambitie van alle partners van ons netwerk is wel degelijk om in ons zorgaanbod en in de kwaliteit van dienstverlening te streven naar briljante performantie. Een briljant is ook een op een bepaalde manier geslepen diamant. Met wat verbeelding valt ook de schittering in ons logo op”, besluit Van Oevelen.

Na de naam- en logopresentatie betraden 17 artsen uit verschillende disciplines, individueel of in groep, het podium. De studiedag stond in het kader van samenwerken in de oncologische zorg. In vier casussen belichtten de specialisten terzake, van nuclearisten tot radiologen en chirurgen, de interdisciplinaire en ziekenhuisoverschrijdende zorg binnen het Briant-netwerk. De artsen lichtten daarbij de nieuwste medische technieken toe in zowel diagnose als opvolging. Nu een naam, logo en eerste evenement een feit zijn, wordt naarstig verder gewerkt aan de oprichting van een rechtspersoon voor het zorgnetwerk Briant.

Contact:

Guido Van Oevelen, netwerkvoorzitter | rani.debuyst@azjanportaels.be| 02 257 50 88

Marc van Impe

Bron : MediQuality

 

 

 

Onderzoekers vinden aanknopingspunt voor immuuntherapie van ontsnapte tumor

Wetenschappers van het LUMC hebben een manier ontdekt om voor het afweersysteem onzichtbare tumorcellen toch vatbaar te maken voor immuuntherapie. Die cellen blijken namelijk niet helemaal incognito te zijn, in tegenstelling tot wat eerder werd gedacht. De onderzoekers publiceren hun resultaten in het Journal of Experimental Medicine.

Wereldwijd zijn de onderzoekers de eersten die kenmerkende vlaggetjes hebben gevonden op tumorcellen waarvan eerder werd gedacht dat ze onzichtbaar waren voor het afweersysteem. Dat is een belangrijke ontdekking, want het biedt mogelijkheden om een nieuwe vorm van immuuntherapie te ontwikkelen, gebaseerd op deze nieuwe vlaggetjes.

“Tumorcellen gebruiken een slimme truc om een aanval van het immuunsysteem af te slaan. Ze halen de vlaggetjes waaraan afweercellen hen herkennen weg van hun celoppervlak. De tumor is daardoor onzichtbaar voor het immuunsysteem en is niet vatbaar voor de huidige vormen van immuuntherapie”, aldus onderzoeksleider Thorbald van Hall van de afdeling Medische Oncologie.

Niet helemaal incognito

Nu blijkt dus dat kankercellen die deze onzichtbaarheidstruc toepassen toch niet helemaal incognito zijn. “We hebben zestien zogeheten peptiden ontdekt die alleen gepresenteerd worden op tumorcellen die de onzichtbaarheidstruc hebben toegepast en niet op gezonde cellen”, legt promovendus Koen Marijt uit. De onderzoekers kwamen de peptiden op het spoor met een computermodel, en bevestigden hun bevindingen in het lichaam. “In het bloed van gezonde mensen vonden we afweercellen die specifiek reageren op deze vlaggetjes. Sterker nog, deze afweercellen herkenden in het laboratorium cellen van huid-, nier- en darmtumoren die de onzichtbaarheidstruc hadden toegepast.”

Minder bijwerkingen

De volgende fase is het ontwikkelen en testen van een nieuwe vorm van immuuntherapie gebaseerd op dit nieuwe type vlaggetjes op ‘onzichtbare’ tumorcellen. Van Hall: “Immuuntherapie is de toekomst voor kankerbehandeling en onze ontdekking is een kleine bijdrage aan de toepassing hiervan voor patiënten voor wie het nu geen optie is.” Omdat de vlaggetjes alleen wapperen op diverse tumortypes en niet op gezonde cellen, zou een dergelijke behandeling waarschijnlijk minder bijwerkingen hebben dan de huidige immuuntherapie.” Maar zover is het nog niet, waarschuwt Van Hall. “Onderzoek bij patiënten moet goed en veilig gebeuren, dus voordat we de eerste patiënten gaan behandelen zijn we jaren verder.”

Het artikel ‘Identification of non-mutated neoantigens presented by TAP-deficient tumors‘ is te lezen op de website van Journal of Experimental Medicine.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Lynch-syndroom door PMS2-mutatie: geen aanwijzingen verhoogd risico andere kankersoorten

Mensen met het erfelijke Lynch-syndroom door mutatie in het PMS2-gen hebben een licht verhoogde kans op darm- en baarmoederkanker, maar de kans op andere kankersoorten is niet duidelijk verhoogd. Dat ontdekte een internationale groep wetenschappers onder leiding van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Ze publiceren hun bevindingen in het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Clinical Oncology.

De wetenschappers trekken hun conclusies na het bestuderen van de gegevens van 4878 leden van 284 families, waarin een mutatie in het PMS2-gen voorkomt. Deze mutatie is één van de oorzaken van het erfelijke Lynch-syndroom. Patiënten met deze aandoening hebben een licht verhoogde kans op het krijgen van darm- en baarmoederkanker op oudere leeftijd. Tot nu toe was onduidelijk hoe het zat met de kans op andere kankersoorten, zoals maag-, eierstok-, dunne darm-, blaas-, lever-, nier-, hersen-, borst-, en prostaatkanker.

Geen extra screenings

“Uit onze studie blijkt dat de kans op deze kankersoorten voor dragers van de PMS2-mutatie niet duidelijk hoger is dan voor de algemene bevolking. Zoals we al hadden verwacht zien we wel een licht verhoogde kans op darm- en baarmoederkanker”, aldus arts-onderzoeker Sanne ten Broeke. Ze deed het onderzoek onder leiding van klinisch geneticus Maartje Nielsen.

Het was voor het eerst dat wetenschappers zo’n grote groep PMS2-dragers onder de loep namen. De onderzoekers raden aan om Lynch-patiënten alleen extra te controleren op darm- en baarmoederkanker en geen extra screenings in het leven te roepen voor andere kankersoorten.

Minder vaak controle

Recent ontdekte dezelfde onderzoeksgroep ook dat darmtumoren van Lynch-patiënten met de PMS2-mutatie andere kenmerken hebben dan die van Lynch-patiënten met een mutatie in het MLH1-gen. “Dit verklaart mogelijk waarom tumoren van PMS2-mutatiedragers minder snel groeien. Dragers van de PMS2-mutatie hoeven dus niet zoals gebruikelijk is elke twee jaar gecontroleerd te worden, maar misschien maar elke drie tot vier jaar”, aldus Nielsen.

Het artikel ‘Cancer risks for PMS2-associated Lynch syndrome‘ is te lezen op de website van het Journal of Clinical Oncology.

Bent u onderzoeker of zorgverlener en geïnteresseerd in het Lynch-syndroom? Bezoek dan het symposium ‘Gene-specific epidemiological and molecular aspects of Lynch syndrome‘ op donderdag 20 september 2018.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Alcoholgebruik bij borstvoeding schaadt cognitieve vaardigheden bij kinderen. Roken doet dat niet.

Kinderen van wie de moeders alcohol consumeerden tijdens de lactatie hebben een grotere kans op “dosisafhankelijke verminderingen in het abstract redeneren op de leeftijd van 6 tot 7 jaar”, maar dat effect neemt wel af op de leeftijd van 8 tot 11 jaar, zo blijkt uit een studie die pas in Pediatrics verscheen.

Bovendien lijken de traditionele methoden die vrouwen gebruiken om de hoeveelheid alcohol in hun moedermelk na het drinken van alcohol te verminderen, op zijn best ondoeltreffend of onvoorspelbaar.

“Alcohol gaat snel over in moedermelk, in concentraties die vergelijkbaar zijn met de alcoholconcentratie in het moederbloed en vermindert de melkproductie. Hoewel het drinken van alcohol onmiddellijk na het voeden de blootstelling aan ethanol tot een minimum beperkt, gebruiken niet alle vrouwen deze techniek, en dergelijk voedingsgedrag kan gevolgen hebben”, schrijven de onderzoekers. Roken tijdens het geven van borstvoeding was niet gekoppeld aan een uitkomstvariabele inzake cognitie.

Pompen en dumpen, een gangbare praktijk waarbij vrouwen moedermelk korte tijd na alcoholconsumptie oppompen en weggooien, vermindert de ethanolconcentratie in moedermelk niet, omdat de concentratie in moedermelk hoog zal blijven zolang er alcohol in het bloed van de moeder aanwezig is, leggen de auteurs uit. Louisa Gibson en Melanie Porter van de Macquarie Universiteit, Sydney, Australië, publiceerden hun bevindingen online 30 Juli in de Pediatrics.

De onderzoekers analyseerden gegevens van Growing Up in Australië: een longitudinale studie van Australische kinderen. De studie omvat 5.107 zuigelingen die om de 2 jaar worden gescreend. De onderzoekers gebruikten multivariabele lineaire regressieanalyses om de associaties tussen alcoholconsumptie en roken door moeders die borstvoeding geven en de scores van nakomelingen te bestuderen op drie maten (Matrix Reasoning, Peabody Picture Vocabulary Test-Third Edition, en Who Are I?) in de tijd.

Borstgevoede baby’s van wie de moeder alcohol consumeerde, hadden eerder een lagere Matrix Redeneringsscore op 6-7 jaar (B coëfficiënt [B], -0,11; 95% betrouwbaarheidsinterval [CI], -0,18 tot -0,04; P = .01).

Deze corelatie was afwezig bij degenen die nog nooit borstvoeding had gegeven (B, -0.02; 95% CI, -0.20 tot 0.17; P = .87).

Deze bevinding suggereert dat “blootstelling aan alcohol via moedermelk verantwoordelijk was voor de bevindingen. Wat echter moeilijker is vast te stellen en te kwantificeren zijn de potentiële gevolgen van andere milieu en genetische risico’s die tot resultaten zoals deze kunnen leiden ,” schrijft Lauren M. Jansson, van Johns Hopkins Universiteit, Baltimore, Maryland, in een commentaar. “De bevinding is niet verrassend als we kijken naar de mogelijke farmacokinetische basis en de bekende schadelijke effecten van alcohol op zich ontwikkelende hersenen,” vervolgt Jansson. “Alcoholconcentraties in moedermelk lijken binnen 30 tot 60 minuten na inname op die in het bloed van de moeder; de hoeveelheid alcohol in moedermelk is ∼% tot 6% van de gewogen moederdosis, en pasgeborenen metaboliseren alcohol met ongeveer de helft van het percentage volwassenen.”

Pediatrics. Published online July 30, 2018. http://pediatrics.aappublications.org/content/142/2/e20174266

Marc van Impe

Bron: MediQuality

400.000 biomedische wetenschappers lijden aan psychische stoornis

Honderden Nederlandse academici hebben de laatste jaren wetenschappelijke artikelen gepubliceerd in bekende neptijdschriften. In Duitsland gaat om vijfduizend vaak gereputeerde onderzoekers. Wereldwijd gaat het om 400.000 wetenschappers en hun publicaties.

De resultaten worden de komende dagen gepubliceerd in De Volkskrant, De Tijd, Die Süddeutsche Zeitung Magazin , The New Yorker, Le Monde, The Indian Express en het Koreaanse Newstapa. Belgische cijfers zijn nog niet bekend , maar ook hier zou het om honderden auteurs in Noord en Zuid gaan, aldus de journalisten van het International Consortium of Investigative Journalists . De Amsterdamse psychiater Joeri Tijdink onderzoekt persoonlijkheidskenmerken van wetenschappers en publiceerde een jaar geleden een eerste verslag.

Amsterdamse onderzoekers beschrijven een nieuw psychiatrisch syndroom dat voorkomt onder wetenschappers: Publiphilia impact factorius. De eerste auteur Joeri Tijdink, psychiater en onderzoeker aan de VU, Amsterdam licht het toe. In academische kringen geldt de regel dat het niet gaat om wat je publiceert maar waar je publiceert, zegt Tijdink. Tijdink bestudeert de link tussen gedrag van wetenschappers en hun persoonlijkheidskenmerken. In een artikel dat onlangs op de website van het wetenschapstijdschrift PeerJ verscheen, introduceert hij samen met collega’s het syndroom Publiphilia impactfactorius: een obsessie met het publiceren van onderzoeksresultaten in hoog aangeschreven tijdschriften zoals Nature, Cell en Science. Tijdink suggereert zelfs het syndroom op te nemen in het psychiatriehandboek. (https://peerj.com/preprints/3347/).

Tijdink onderzocht of specifieke clusters van persoonlijkheidskenmerken typerend zijn voor biomedische wetenschappers. Dit kan van bijzonder belang zijn omdat persoonlijkheidskenmerken hun invloed hebben op het gedrag van het individu. Slordige wetenschap of zelfs wetenschappelijk wangedrag kan dan ook worden gekoppeld aan specifieke clusters van persoonlijkheidskenmerken. Daartoe ontwierp hij een transversaal onderzoek met clusteranalyse van persoonlijkheidskenmerken onder een gelaagde steekproef van zo’n 820 Nederlandse biomedische wetenschappers die werkzaam zijn in academische medische centra. 537 actieve biomedische wetenschappers voltooiden een Web-based onderzoek (responspercentage 65%). Voor de psychiaters onder u: de onderzoekers maakten gebruik van de NEO-BIG5, de Rosenberg Self Esteem Test, de Achievement Motivation Inventory en de Dark Triad (narcistische, machiavellistische en psychopathische persoonlijkheidskenmerken) als gevalideerde vragenlijsten. Ze lieten deze wetenschappers invullen of ze 22 vormen van wetenschappelijk wangedrag vertoonden, zoals plagiaat, het mooier maken van resultaten en het weglaten van onwelgevallige resultaten. Ook namen ze persoonlijkheidsvragenlijsten af, waarmee ze hun zelfvertrouwen en stressgevoeligheid bepaalden en in hoeverre ze narcistische, psychopathische en machiavellistische eigenschappen vertoonden.

“‘De deelnemers gaven aan in welke mate ze het eens waren met stellingen zoals ‘het is onverstandig om al je geheimen te vertellen’, ‘het is beter eerlijk te zijn dan succesvol’ en ‘het klopt dat ik gemeen kan zijn’. ‘Met name machiavellistische trekken blijken samen te gaan met wangedrag. Narcistische trekken zijn sterker bij wetenschappers met een hogere rang.

Clusteranalyse onthulde het bestaan van drie even grote persoonlijkheidsclusters onder biomedische wetenschappers: de perfectionisten: ambitieus, stressgevoelig en zelfbewust. De ideale schoonzonen (of -dochters), die meer easy going zijn, en wat de onderzoekers de sneaky grandiose noemen, die relatief het hoogst scoren op narcisme, machiavellisme en psychopathie. De perfectionisten zijn het jongst en komen weinig voor in de hogere academische rangen. De ideale schoonzonen en -dochters komen verder, omdat ze minder last hebben van publicatiedruk. De sneaky grandiose zijn vaker man en staan het hoogst in de rangorde. Zij zijn het meest geneigd tot wetenschappelijk wangedrag. De sneaky grandiose zijn veelal (mannelijke) groepsleiders. Omdat zij bovendien meer geneigd zijn de vragenlijst oneerlijk in te vullen, zou hun aandeel nog hoger kunnen zijn.

Deze bevindingen suggereren dat de stiekeme grandioze biomedische wetenschappers een relatief hoge neiging hebben tot wangedrag en dus lijden aan een psychiatrische aandoening die gekenmerkt wordt door pathologische drang tot publiceren en geciteerd worden. Tijdink e.a. stellen daarom voor om dit syndroom ‘Publiphilia Impactfactorius’ (PI) te noemen, en ze stellen voor om deze aandoening te overwegen in de nieuwe versies van DSM5 en ICD-10. Vroege identificatie en intensieve behandeling of, als alternatief, uitzetting en annihilatie van collega’s die lijden aan PI zijn de enige manier om verdere accumulatie van onderzoeksrommel te voorkomen.

Overigens gelooft Tijdink nog steeds dat de grote meerderheid van de wetenschappers integere, goede mensen zijn, maar er is een klein clubje wetenschappers dat het niet zo nauw neemt met de waarden en wel de goede posities krijgt. “Ik heb om me heen gezien dat ze er alles aan doen om dat te bereiken. Ze zijn bepalend voor de cultuur.”

Marc van Impe

Bron: MediQuality