Als arts is het prettig nodig te zijn

Het is half acht. Ik drink koffie en neem de ochtendkranten door. Ik lees een artikel over een arts die aan een burn-out toe is. Hij vindt het toch zo erg dat hij er niet kan zijn voor zijn patiënten. Als arts is het prettig om nodig te zijn.

‘Om het verschil te maken in het leven van een ander,’ lees ik bij dr. Emma Bruns, chirurg in opleiding. ‘We geloven samen, artsen en patiënten, in een sprookje, waarbij ridders prinsessen redden van boze monsters.’ Tien kilometer verder, in een kamer op drie hoog, vecht de dochter tegen de monsters. Die monsters zijn draken noch bandieten, het zijn resistente bacteriën die niet verslagen kunnen worden door één dappere dokter. Daar heb je een heel team voor nodig. Zij lijdt aan een plaag. En daar heb je overstijgend inzicht voor nodig. De hulp van een computer zou bij de analyse van de weefselstalen welkom zijn. Hij neemt alle beschikbare kennis tot zich en kan er dan zinvol advies mee verstrekken. De computer heeft nooit een burn-out.

Het duurt al een maand nu dat er aan het been van de dochter getrokken wordt. Het rotsvaste geloof heeft eerst plaats gemaakt voor hoop. Dan kwam de twijfel. Ik hoop dat het bij twijfel blijft.

Ik ken dokters die alleen maar voor de kennis en wetenschap arts geworden zijn. Ik ken er die het omwille van het prestige doen. Er zijn er die van vader op zoon dokter geworden zijn. Er zijn idealisten bij die absoluut de mens beter willen maken. En er zijn erbij die door de ervaring van jaren stoïcijns doorgaan. Sommige artsen die ik ken, hebben eigenlijk een hekel aan patiënten, maar ze doen het voor het inzicht dat ze verwerven. Het zijn de literatuurliefhebbers van de geneeskunde. En sommigen doen het voor het geld.

Zoals die arts die me tussen neus en lippen vertelde dat hij nooit zou instemmen met in de voorgestelde netwerkplannen van de minister een verdoken poging ziet om van alle artsen ambtenaren te maken. Dat dit volslagen nonsens is kan er bij hem niet in. Dat zit rotsvast in zijn verstand, zoals een rotte kies die zich niet trekken laat.

Aan zo’n iemand zou ik nog niet eens mijn ingegroeide teennagel toevertrouwen.

Het wordt een mooie dag, ik zie op de brug in de verte een file, en ik bel de dochter. Het blijft een dubbeltje op zijn kant, zegt ze. Wacht even: er wordt aan de deur gebeld. Een aangetekende brief. Een pakketje. Een factuur. Het leven gaat verder. Ik kom tegen het eind van de middag, zeg ik. Is goed, zegt ze. Ik loop niet weg.

De geleerde vrouw is wakker. De afdeling heeft haar zoals elke ochtend in de week wakker gebeld. Er zijn weer data uit het medicatiesysteem verdwenen. De computer laat dus toch steken vallen. “Een gelukkige verjaardag,” zeg ik. “Word ik niet te oud,” vraagt ze. “Je kan niet oud genoeg worden,” zeg ik. Beauty is in the eye of the beholder, citeer ik Margaret Hungerford. En ik denk dan onvermijdelijk aan Keats: “A thing of beauty is a joy forever.” Ik moet naar de kliniek, zegt ze. Het is als arts prettig om nodig te zijn.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

Advertenties

Niet mei ’68 maar september ’69

Ik lees in de voorbije dagen in nogal wat kranten verhalen over die roemruchte maand mei van het jaar 1968. Hier en daar een oud-strijder die Marcuse nog de hand geschud heeft, die praat over de “bezetting” van de aula, de gevechten met de rijkswacht. Leuven Vlaams, Walen Buiten, en andere obscene slogans zoals ‘Alle macht aan de arbeiders!’.

Kortom opgeblazen romantiek, auto-heroïsme van de hoogste Ikeaboekenplank, kortom leugens en halve waarheden. De geur van te lang gedragen ondergoed en ongewassen sokken, gedoofde Gauloises en verschaalde pils. Ik lees bij andere neoconservatieven dat mei ’68 door hormonen werd aangedreven. Ik ben bijna geneigd die stelling te geloven.

Mijn hormonen hebben me toen in een richting geduwd waar ik nu nog altijd in verder ga. Maar ook hier: Hineininterpretierung en Schadenfreude. Ik wil daar aan toevoegen dat de zogenaamde revolutie niet werd aangestoken op 3 mei 1968 maar op 25 januari 1959, een jaar na de Wereldtentoonstelling, toen Paus Johannes XXIII het Tweede Vaticaans Concilie bijeenriep. Dat ging van start in 1962 en duurde tot ’65.

Het wekte talloze verwachtingen in sloeg barsten in het verkalkte traditionele katholieke maatschappijbeeld dat in het Vrije Westen overheerste. Het luidde de tijd van de grote co’s: co-existentie, co-educatie, communicatie, coöperatie, copulatie. Het einde van de hegemonie van de rechterhand en de omzetting van het woord in de daad. Waarmee we bij de aanhef van ons verhaal van de dag gekomen zijn. Ik citeer in deze graag Jean-Pierre Le Goff : « Le mouvement soixante-huitard est un curieux mélange entre des aspirations hédonistes, libertaires et un bolchévisme avant gardiste qui a rejoué sous une forme caricaturale et dérisoires le fonctionnement des partis communistes « historiques » (léniniste, stalinien, maoïste) et des révolutions du passé. »

Ik vind 1968 maar niets. Het was het begin van een verschrikkelijke verspilling van talent en van heel wat misvattingen die tot op de dag van daag voortduren. Overigens is 1969 veel belangrijker. In 1969 merkte de hiërarcholoog Laurence Johnston Peter op dat mensen die goed zijn in hun werk vaak promotie maken.

Zij worden daarbij beoordeeld op de prestaties in hun huidige functie en niet op de competenties die nodig zijn voor hun nieuwe baan. Zo maken mensen die succesvol zijn net zo lang promotie tot ze op een functie komen die ze eigenlijk níét aankunnen en daar blijven ze dan de rest van hun carrière zitten. Een deprimerende gedachte maar de werkelijkheid. Peter formuleerde zijn principe kortweg zo: ‘In een hiërarchie stijgt elke werknemer tot zijn niveau van onbekwaamheid.’ Het zogenaamde Peterprincipe.

Het resultaat van vijftig jaar zogenaamde democratisering en Peterprincipe in de geneeskunde is rampzalig. Volgens mij waren we tot bij de vorige legislatuur terug bij AF, dat punt waar we altijd lijken uit te komen. Sinds mei ’68 –we kunnen om die verjaardag niet heen- werd Volksgezondheid door de twee politiek correctste partijen van dit land bestuurd: christendemocraten en socialisten. Het resultaat is een totaal ontspoorde consumptie, ziekenhuizen die balanceren op de rand van het faillissement, artsen die horendol worden van de administratieve bedilzucht en ziekenfondsen die sterker dan ooit zijn en die er alles aan doen om de patiënt onmondig te houden.

Allemaal de gevolgen van het Peterprincipe. Volksgezondheid werd en wordt nog bestuurd door cabinettards die gedropt worden op het niveau van onbekwaamheid. Alsof iemand die advies kan geven ook een goed bestuurder zou zijn.

Natuurlijk zult u zeggen dat onze organisaties lang niet meer zo statisch zijn, dat we nu een Selor hebben die het kaf van het koren kan scheiden, en dat in de politieke wereld van vandaag kandidaten voor promotie ook beoordeeld worden op de echte vaardigheden die nodig zijn voor hun nieuwe functie. Ik mag het hopen. Maar toch laten studies zien dat het Peterprincipe op allerlei plekken regeert.

Ik zou bijna voorstander worden van beruchte Dilbertprincipe: ‘De minst competente werknemers krijgen promotie naar een managementbaan, zodat ze niet te veel schade aanrichten op de werkvloer.’

Ik heb onlangs het Peter- én het Dilbertprincipe in de praktijk gezien. Het was op een groot evenement in een universitair ziekenhuis aan de rand van Brussel. Medisch België had zijn scherpste breinen en vernuftigste wetenschappers op een zonnige zaterdag daarheen gezonden om te brainstormen over de toekomst van onze medische wereld. Ik hoorde er de klassieke kreten als “De dokter moet meer patiëntgericht worden”, “De patiënt moet centraal staan”, “De patiënt moet kunnen kiezen”, of het slimste: “We moeten van een aanbod-gestuurde naar een vraag-gestuurde zorg.” Ik herkende deze toeters uit de ziekenhuizen en instituten die alleen bij gratie van de belastingbetaler overeind blijven. Over één zaak waren alle correct denkende eminenties en zelfverklaarde specialisten het eens: het rijk van “de arrogante dokter die het altijd beter weet” was uit.

De echo van ’68. Ik heb er vele Peters gehoord. Ik vond het van een grote arrogantie getuigen dat zij hun collega’s “arrogante” dokters durven te noemen. Ik ga verder: de vermeende arrogantie van de dokter in het verleden, die wel wist wat goed was voor de patiënt, heeft plaatsgemaakt voor de arrogantie van overheid en aanverwante instanties die nu menen te weten wat goed is voor de patiënt. En dat geloof ik nu net niet. Om het met de soixante-huitards te zeggen: Je suis Marxiste—tendance Groucho.

Ik zou dus volgend jaar festiviteiten willen organiseren rond de verjaardag van het Peterprincipe. Volgend jaar op 16 september vieren we de honderdste geboortedag van deze grote Canadees. Een andere belangrijke quote van hem is: “The noblest of all dogs is the hot-dog; it feeds the hand that bites it.”

The Peter Principle: Why Things Always Go Wrong. with Raymond Hull. ISBN 978-0061699061.   Ebook: ISBN-13 : 978-1312475489.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality

Sorry voor het wachten

Het is weer tijd voor een controle, dus bevind ik me in de wachtkamer. Vorige maal had ik een afspraak om half elf ’s ochtends en werd het twaalf uur. Met een gevoel van honger en dorst, dus prikkelbaar liep ik toen de consultatie binnen.

Er lag een Cosmopolitan waar een oud-studente van mij me vertelde waarom mijn dochter minder om seks en meer om haar carrière geeft. Een blaadje van het ziekenhuis waarin verteld werd hoe ambitieus het team dokters en verpleegsters wel is. En flard van een advertentieblad waarin veel diesels aangeboden werden. Een folder over goede tandhygiëne. Kan er iemand ooit interessante lectuur in de wachtzaal leggen?

Daarom besloot ik de tijd nu eens heel nuttig door te brengen. Het is eigen aan wachtkamers dat je daar weinig nuttige dingen kunt doen. De Marokkaanse medemens heeft haar mobieltje tussen wang en hoofddoek gepropt en babbelt ongestoord en luid voor zich uit. Niemand die er een woord van begrijpt, ze praat in haar eigen privacy bubbel. Een kleuter en zijn moeder (?) testten elkaars geduld en doorzettingsvermogen uit. Hij klimt onvermoeibaar de stoel op en laat er zich dan weer afglijden. Zij probeert hem stil te houden. Ik haal mijn laptop boven en begin dit stukje te typen.

Eigenlijk hou ik van wachten. Of tenminste van deze vorm van wachten waarbij je je medewachters kunt observeren. Zo hou ik ook van wachten op luchthavens. Of het wachten op een perron op de trein die vertraging heeft. Net zoals het wachten bij de dokter is dit een vorm van tijdsbesteding waarvoor ik niet de minste verantwoordelijkheid draag. Ik kan er niet aan doen dat ik moet wachten. Dus ik ben onschuldig. Ik fantaseer de tijd voorbij. Ergerlijk is het wachten op de toast uit de broodrooster. Of voor het deurtje van de magnetron. Nog ergerlijker is het wachten op het einde van het wasprogramma in de vaatwasser. Of het wachten in de file. Alhoewel ik ook daar niets aan kan doen, voel ik me toch schuldig. Het wachten op de ober die de rekening moet brengen. Het wachten bij de kassa op een zaterdagmiddag is dan weer wel een boeiende gelegenheid voor een stukje maatschappijanalyse: ik zie wat de mensen op de band leggen, de Snickers, het Ardens gehaktstammetje, de flessen goedkope rosé, een pakje maandverband, een tube glijmiddel, de merk- en huismerkproducten. Ik verzin me er hun huishouden bij, hun interieur. De geur van soep. Van de stapel was die moet gestreken worden. En dan zie ik de piercing in de neus of de wenkbrauw. De tijd gaat nu eenmaal snel voorbij als er afleiding is.

En dan denk ik aan het verstrijken van de tijd. Newton dacht dat de tijd daadwerkelijk voorbij stroomt. De tijd als absoluut rekenkundig model. Wat fout blijkt te zijn. Tenminste, voor zover ik de kwantumfysica begrepen heb. De tijd zou volgens die wetenschap bestaan uit partikels die elk een honderdmiljoenste van een miljardste van een miljardste -en ga zo verder, miljardste seconde kort zijn. Ik las laatst een artikel van Carlo Rovelli die zegt dat de dingen niet in de tijd evolueren, maar dat ze ten opzichte van elkaar veranderen. Waarmee we terug bij Aristoteles aanbeland zijn die stelde dat de tijd slechts een maat voor verandering is. “De tijd brengt weemoed, herinnering, verdriet en gemis,” schrijft Rovelli. En ideeën, wil ik aanvullen. Als hij creatief wil zijn, beeldt de uitvinder Jacob Rabinow zich in dat hij in de gevangenis zit: ” In de gevangenis speelt tijd geen rol. Dat geeft hem de vrijheid om met gedachten te experimenteren. Hetzelfde geldt voor de wachtkamer.

Zoals u ziet, lezer, de acceptatie van het wachten schept ruimte voor nieuwe gedachten. Ik ben bij het einde van mijn stukje gekomen. Ondertussen zijn er nog een paar medewachters bij gekomen. De jongeman naast mij knijpt de hele tijd boodschappen uit zijn smartphone. Zijn twee duimen gaan automatisch over de virtuele toetsen. Een techniek die ik nooit zal beheersen. Ik tokkel nog. Hij is van de knijpgeneratie. En dan gaat de deur open. Een mevrouw komt buiten. Een zakdoek in haar knuist voor de mond gepropt. De ogen rood. Slecht nieuws? Of hooikoorts? Ik ben aan de beurt. Ik klap mijn laptop dicht. “Dat was een lange tweet,” zegt de jongen naast mij.

Sorry voor het wachten, zegt de dokter. Het plezier is geheel aan mijn kant, antwoord ik.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Mag ik nog even ongezond leven?

Er mag geen stukje verschijnen over de gevolgen van alcoholconsumptie of ik krijg het van de geleerde vrouw te horen: wanneer ga je eens ophouden met drinken? Ik geef toe: ik ben aan de drank. Ik mag –als ik lunch- graag een gin tonic voor. Ik drink een glas rode wijn. En tegen het eind van de namiddag wil een glas Orval er wel in. En soms, niet elke dag,- God verbiede het- een neutje single malt van een goed huis.

Maar ik rook al ruim dertig jaar niet meer, ben matig met eten, strooi suiker noch zout, eet regelmatig groente en fruit maar zit het grootste deel van de dag op mijn gat. Lopend of staand schrijven gaat niet zo best. Ik slaap voldoende, doe niet aan sport, maar wandel elke dag een stukje en ik heb een bloedhekel aan diëtisten en de missionarissen van de gezondheidscultuur.

Journalisten leven niet gezond. Het percentage darmkankers, longkankers en hart- en vaatziekten is in onze gilde hoger dan modaal. Journalisten zweren bij hun eigen lifestyle, als dat zo genoemd mag worden, en zijn hevige voorstanders van de keuzevrijheid.

Toch ben ik bijna elke dag bezig met mijn leven te bekorten, is het niet in het café, dan thuis op het terras of lui in de bank. Met altijd een goed tijdschrift of boek bij de hand. Ik heb me er al lang bij neergelegd: lekkere dingen in het leven zijn in wezen ongezond. Maar ergens in mij werd de opstandeling wakker toen ik las dat een houtkachel nu ook niet meer mag. Teveel fijn stof. En kerstboomverbrandingen, paasvuurtjes, of gewoon een lekker fikkie stoken in de tuin: het mag niet meer. Vanwege de rookoverlast, zegt de minister.

Koeien mogen straks ook niet meer vanwege methaanuitstoot. De kippenfokkerijen moeten dicht wegens ammonia emissie. En West-Vlaanderen kan straks helemaal dicht als de varkensgier bij wet verboden wordt. Binnenkort krijgen we een nieuw corps bij de politie: de milieupolitie, in groene pakjes gehuld komen ze langs met een emissiemeter om te kijken of je niet buiten de regels uitstoot. En als jij het niet bent dan is het je dieselauto wel. Dat duurt echt niet lang meer.

We hebben hier in de stad een rood-groene coalitie. Dat zal je geweten hebben. Vilvoorde moet verkeersluw worden. Dus sta je elke dag anderhalf uur in de file om die bottleneck van nog geen vier kilometer door te komen als je van noord naar zuid moet of omgekeerd. Ondertussen gaat het centrum dood. Niet van het fijnstof maar omdat er geen fijne mensen meer komen winkelen of een terrasje pikken.

Ik heb een hekel aan de werkwoorden ‘mogen’ en ‘moeten’. Aan de woorden evenwichtig, gezond, groen. Vlees mag nu ook niet meer. En vissen lijden als ze gevangen worden. Ik vraag me af of een ei lijden kan. Wat me bij de gedachte brengt dat kinderen krijgen eigenlijk ook niet zo gezond is. Ik las onlangs een artikel over de „boete op baren”. Dat is niet mis. „De zwangerschap is een interne veldslag met gezondheidsrisico’s vergelijkbaar met het oplopen van een serieuze infectieziekte (…): bekkeninstabiliteit, totaalruptuur, postnatale depressie, kraambedpsychose, een verwoest seksleven, of je bent prompt elf jaar ouder.”

Verder verlies je rond de geboorte ook nog eens zo’n 20 procent aan inkomen ten opzichte van kinderloze vrouwen. Een verschil dat je de rest van je leven niet meer goedmaakt. Onderzoek bij tweeduizend Duitse stellen leerde dat de achteruitgang in algemeen levensgeluk na het krijgen van kinderen groter is dan de terugval tijdens een scheiding, werkloosheid of na de dood van een partner. En een kinderloze relatie is milieuvriendelijker dan „de extreemste zelfvoorzienende geitenwollen vegan mét kind”. Elk kind dat minder geboren wordt, scheelt bijna 60 ton CO2 equivalenten per jaar.

Elders lees ik dat overbevolking de enige echte oorzaak is van alle milieuproblemen: „De dodelijke bevolkingsexplosie die door een consortium van hypocrieten al zo lang wordt verzwegen”.

Ik besluit lekker verder te zondigen. Ik weet wat mij te doen staat. Mijn geluk hangt af van het feit dat ik zelf mijn leven kan bepalen, zelf kan bepalen welke ongezonde dingen ik wel en niet doe, en dat ik me nog nooit door trends heb laten beïnvloeden is meegenomen. Ik vind niet dat iemand moet bepalen dat ik niet ongezond mag leven. Ik hou niet van speltbrood, niet van quinoa, ik lust geen kefir. En ik wil niet fietsen. Mag ik alstublieft ongezond leven?

Uit een recent interview van Harvard University bleek dat een mens de volgende dingen moet doen om 14 tot 12 jaar langer te leven: weinig eten, matig bewegen, niet roken, en matig zijn met alcohol. Ik wil daaraan toevoegen: een gelukkige relatie hebben. Al wie mij van alles belooft om het leven gezonder te maken zal die belofte vermoedelijk niet kunnen waarmaken. Ik heb niets tegen de niet-roker, de veganist en de fitnesscenterabonnementhouder. Van mij mag veel. Als jullie er bij mij maar niet steeds op aandringen dat ik iets moet.

Ik geloof dat het leven er is om van te genieten. Van een stukje foie gras bijvoorbeeld. Of een lepel kaviaar. En lapje Wagyu beef gebraden in roomboter. Of een hapje tarbot in mousseline. En natuurlijk een pak verse friet in een half om half ossenwit en paardenvet gebakken, recht van het frietkot en een lepel echte Belgische pickles. Ik pleit helemaal voor niets. Ik pleit tegen mogen en moeten.

Ik ben voor de solidariteit en die wordt bedreigd door een samenleving waarin we permanent worden afgestraft voor onze individuele keuzes. En verder citeer ik graag Voltaire die zei wat ons als mens te doen staat: “Il faut cultiver notre jardin”. Doe wat binnen uw mogelijkheden ligt om verandering en verbetering in de wereld te brengen en begin dichtbij: met uw tuin. Ik heb een terras. Ik zal vandaar minzaam toekijken.

http://circ.ahajournals.org/content/early/2018/04/25/CIRCULATIONAHA.117.032047

Marc van Impe

Bron: MediQuality

De Block bewijst de patiënt een mooie dienst

Vorig jaar werd bekend gemaakt dat de immunotherapie met nivolumab voor 3 nieuwe types kanker terugbetaald zou worden: longkanker, niercelkanker en Hodgkin-lymfoom. Op die manier krijgen de komende drie jaar zo’n 10.000 patiënten een nieuw, hoopvol vooruitzicht. Toen werd ook voor het eerst een combinatie van twee immunotherapieën goedgekeurd voor de behandeling van gevorderd melanoom. Het was de eerste keer dat er in België meerdere terugbetalingen van immunotherapie tegelijk goedgekeurd worden.

Elk jaar worden er in België zo’n 8.000 gevallen van longkanker gediagnosticeerd. Bij mannen is het daarmee de tweede meest voorkomende vorm van kanker, bij vrouwen is het de derde meest frequente kanker. Minister De Block wil nu de terugbetaling van de combinatie van nivolumab en ipilimumab organiseren voor lokaal gevorderd of gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom. Ongeveer 85 procent van alle longkankers zijn niet-kleincellig. Uit onderzoek rond immunotherapie kwamen er eerder al geweldige resultaten: de levenskwaliteit van de patiënten ging erop vooruit en hun overlevingskansen op lange termijn waren – afhankelijk van de histologie van de tumor – tot drie keer beter dan bij de standaard chemotherapie.

In vroegere tijden zou dit echter niet betekend hebben dat patiënten in België hun toevlucht konden zoeken tot die therapie. Tot voor kort was het immers zo dat Belgische patiënten in vergelijking met hun lotgenoten in andere Europese landen benadeeld zouden zijn. Binnen de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (CTG) moest tot nu toe twee derde van de leden ermee akkoord gaan dat een geneesmiddel een echte meerwaarde heeft voor de bijkomende groep patiënten. Minister De Block wil nu dat bij die stemming een eenvoudige meerderheid volstaat.

Volgens de ziekenfondsen zou dit een cadeau zijn aan de farmaceuten die nu niet meer gedwongen zouden kunnen worden tot een zogenaamde volumekorting.

Ik vrees dat het protest van het christelijk en het socialistisch ziekenfonds vooral een politieke bedoeling heeft. De rol van het CGT werd immers eerder al beperkt. Het is niet langer België dat de prijs van dure geneesmiddelen bepaalt maar de alliantie van België, Nederland, Luxemburg en Oostenrijk (BeNeLuxA). Die landen werken samen om nieuwe geneesmiddelen sneller en tegen een aanvaardbare prijs beschikbaar te maken voor patiënten. Tussen haakjes, ook Ierland wil sinds begin van dit jaar aansluiten bij de BeNeLuxA.

Met de Ieren erbij vertegenwoordigt dit aankoopplatform ruim 40 miljoen burgers. Door de krachten te bundelen staan de consumenten sterker tegenover de macht van de farmaceutische industrie en kunnen ze ook op Europees niveau een duidelijkere stem laten horen. Door een betere internationale samenwerking blijft de toegang tot dure geneesmiddelen voor de patiënt gewaarborgd. Die samenwerking betreft niet alleen gezamenlijke prijsonderhandelingen. De BeNeLuxA-landen onderzoeken ook gezamenlijk welke innovatieve – maar ook vaak ook zeer dure – geneesmiddelen er in de nabije toekomst aan komen, wisselen informatie uit over hun geneesmiddelenbeleid en innovatieve zorgtechnologie beoordelen.

Ook meer transparantie over kosten en prijzen staat op de gezamenlijke agenda. Door meer op deze terreinen samen te werken wordt het gemakkelijker gezamenlijk te onderhandelen met farmaceutische bedrijven over de prijzen van geneesmiddelen. Het is een van de vele voorbeelden waarbij de gezamenlijke aanpak van verschillende landen een farmabedrijf dat de terugbetaling vraagt voor een geneesmiddel kan dwingen tot een realistische prijsvorming. Daarmee worden inderdaad de deuren van het besloten clubje dat de CTG geworden was opengegooid.

De Block wil met haar aanpak de ‘sabotage’ door de verzekeringsinstellingen tegengaan. ‘Momenteel blokkeren de verzekeringsinstellingen vaak de stemming om meer kortingen te eisen,’ zegt ze. Die kortingen komen echter niet altijd ten goede aan de patiënt.

In de praktijk betekent het besluit van minister De Block dat farmabedrijven vanaf juli de prijs niet meer moeten heronderhandelen als de terugbetaling van een geneesmiddel voor een grotere groep patiënten minder dan 2,5 miljoen euro kost. De minister wil de inkoop van dure geneesmiddelen optimaliseren en zo dure geneesmiddelen beter toegankelijk en betaalbaar maken.

De uitspraak van Paul Callewaert van de Socialistische Ziekenfondsen klinkt daarom des te cynischer: ‘De toegang tot nieuwe geneesmiddelen is belangrijk, maar als het budget niet onder controle wordt gehouden, moet op andere vlakken bespaard worden.’ Daar heeft de patiënt die wacht op een adequate behandeling en die vaak via eigen zoekwerk op het Internet te weten is gekomen dat er een nieuwe mogelijke behandeling bestaat maar die niet krijgt, inderdaad een boodschap aan.

www.beneluxa.org

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Een verzekeringsarts klapt uit de biecht

Van huisartsen en specialisten krijg ik vaak te horen: “De verzekeringsarts doet weinig of niets met de informatie die ik als behandelend arts met de patiënt meegeef.” Ook bij het Vlaams Patiëntenplatform en de LUSS, waarbij de verenigingen voor chronisch zieken en gehandicapten aangesloten zijn, hoort men vaak die klacht.

De arts verklaart de patiënt werk onbekwaam, de verzekeringsarts minimaliseert de ongeschiktheid en ontzegt de patiënt de uitkeringen die hem volgens de polis hadden moet worden toegekend. Vorige week nog belde de arts van een kaderlid van Proximus dat verzekeraar AG Insurance –de supporter van jouw leven- een patiënt die na 20 jaar hard werken, worstelt met een burn-out maar weer aan het werk moest.

En dat op basis een gesprekje van een kwartier met een psychiater die in deze graag mag optreden. Iedereen vindt dat dit moet veranderen, zowel patiënten, patiëntenverenigingen, werkgevers als artsen zijn de situatie beu. Maar als we de verzekeraar daarop aanspreken verschuilt die zich achter het medisch geheim en kan hij onmogelijk op een individueel geval ingaan. AG is niet de enige verzekeraar die in dit bedje ziek is. KBC, en Ethias, om maar een paar te noemen houden er dezelfde praktijken op na.

Als ik dokters hierop aanspreek blijkt hoe teer de verhouding tussen de behandelaar en de verzekeringsarts wel is. Zegt een revaldiatiearts: “Die verzekeringsartsen zijn geen specialisten, zeker niet op alle vakgebieden, laat staan dat ze met de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen bekend zijn, maar ze doen wel alsof ze het beter weten dan alle specialisten bij elkaar.”

Of nog: “De arts van de verzekeringsmaatschappij schermde met de richtlijnen van het Riziv zoals het hem uit kwam. Maar toen het Riziv zijn beleid bijstuurde vond hij dat niet evidence based en werd de patiënt in de kou gezet.” En een psychiater schrijft: “Ik adviseerde de patiënt, die actief was in een patiëntenbelangengroep, niet te gaan werken. Toch wou zij dat zelf wél, deeltijds als het kon. Maar toen ze dat aan de arts van de verzekering meldde, zei die dat als ze zich kon engageren in een patiëntenbeweging, ze ook terug aan de slag kon in het reguliere circuit.”

Uiteraard zijn de rollen van verzekeringsartsen enerzijds en behandelaars anderzijds echt verschillend. Wij spraken een verzekeringsarts die ons zelf contacteerde naar aanleiding van een eerder stukje: “Wij bespreken vooral lichamelijke en psychische klachten, niet om te bepalen hoe ziek iemand is of hoe de klachten verholpen kunnen worden, maar om te bekijken wat iemand ondanks de ziekte nog kan doen. Wij vellen dus geen oordeel over de behandeling of de zorgbehoefte van de patiënt, maar beoordelen wel de werkbekwaamheid van de patiënt op basis van eigen inzicht en van informatie van een huisarts of specialist. Wij zijn bij uitstek deskundigen op het gebied van arbeid en gezondheid. Met die kennis bepalen wij of iemand weer aan het werk kan en wat voor soort werk dat kan zijn.”

Een huisarts mag volgens hem tegenover de patiënt dan ook geen positie kiezen met betrekking tot het oordeel van de bedrijfsarts of de verzekeringsarts. “Een behandelend arts die daarover een andere mening ventileert dan de bedrijfsarts of verzekeringsarts, kan zijn patiënt daarmee in de problemen brengen. Het beste is dat de behandelend arts in dat geval direct contact opneemt met de verzekeringsarts om zijn standpunt nader toe te lichten.” Maar daar wringt hem de schoen. De verzekeringsarts beschikt niet over de voorkennis en heeft niet de vakkennis van de specialist of behandelend arts.

Deze kent de betreffende persoon goed. Hij redeneert meestal vanuit het medische model. Een anamnese en dan vragen als: waar zit de pijn? Straalt de pijn uit? Welke medicijnen gebruikt u? Kunt u tillen? En vervolgens bepaalt hij aan de hand van de antwoorden wat iemand qua werk nog aankon. Het is anders gezegd nogal nattevingerwerk.

De verzekeringsarts beoordeelt dus niet de functionele capaciteiten van de patiënt. Dit gezegd, de verzekeringsarts kan en moet het werk van de specialist niet over doen. Dat hij een beroep doet op derde specialisten die de patiënt amper zien, laat staan zijn dossier door en door kennen is niet alleen dubbel werk. Het is ook onzinnig werk. Want de stelling dat wiens brood men eet, diens woord men spreekt, gaat ook hier op.

Onze verzekeringsarts geeft dat toe: “Wij vinden vaak dat iemand met een beperking ‘meer’ kan. Voor ons is het glas altijd half vol. Als de specialist of huisarts hierover anders denkt, is dat een probleem. Hij heeft de neiging met de patiënt mee te gaan.” De nieuwe tendens is dat wie een beperking of aandoening heeft, recht heeft op aangepast werk, of op zijn minst op flexibiliteit. Zegt de verzekeringsarts: “Wij werken niet voor het arbeidsbureau. Een aangepaste baan vinden moet de patiënt zelf doen. Die kan zelf best bepalen hoeveel en wanneer hij werkt.”

Of hij zich daarbij iets kan voorstellen: een patiënt die zijn extra uitkering verliest, vaak op de minimum uitkering terugvalt en zijn plaats moet vinden op de arbeidsmarkt? Ik verwijs hem naar wetenschappelijke onderzoeksresultaten zoals gepubliceerd in British Medical Journal.(https://www.bmj.com/content/356/bmj.j14)

Daar staat in de conclusie klaar en duidelijk dat “Despite their widespread use, medical evaluations of work disability show high variability and often low reliability. Use of standardised and validated instruments to guide the process could improve reliability. There is an urgent need for high quality research, conducted in actual insurance settings, to explore promising strategies to improve agreement in evaluation of capacity to work.” Het gaat hier over een systematische review van 23 studies uitgevoerd in 12 landen.

In Nederland bestaat sinds 2005 het Kenniscentrum Verzekeringsgeneeskunde (KCVG) en internationaal is er het Cochrane Insurance Medicine (CIM). Bedoeling van het nieuwe ‘Cochrane-veld’ is niet alleen om verzekeringsartsen te helpen goede beslissingen te nemen op basis van wetenschappelijke kennis, maar ook om cliënten en patiënten met wetenschappelijke kennis te helpen in hun herstelproces. https://www.bmj.com/content/356/bmj.j14

Veel mensen schrijven ons ook dat ze het gesprek met de verzekeringsarts als onaangenaam ervaren. De arts stelt zich betuttelend op, laat zich negatief uit over de behandelende arts, toont geen empathie, begrijpt vaak niet waarover het gaat. En als men er niet uitkomt lokt men de patiënt in een zogenaamde minnelijke expertise die niet alleen kostelijk is maar ook jaren kan duren, en als de verzekeraar ongelijk krijgt –wat gebeurt- leidt tot een beroepsprocedure. Alleen assertieve patiënten die een stevige financiële basis hebben, kunnen die procedureslag aan.

Een paar weken later neemt de verzekeringsarts zelf opnieuw contact op. Of we een afspraak kunnen maken. Hij werd op zijn beurt ontslagen na herhaald ziekteverzuim. Hij heeft veel te vertellen.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

“Eerste 177 euro bij dokter uit eigen zak betalen”: VOKA lanceert plan voor gezondheidszorg

Nieuwe zure wijn in oude muffe zakken. Zo kan men nog het best het plan omschrijven waarmee VOKA de gezondheidszorg wil hervormen. Om de gezondheidszorg betaalbaar te houden wil VOKA enkele heilige huisjes slopen. Zo zouden artsen geen supplementen meer mogen aanrekenen en moet de patiënt elk jaar 177 euro aan zorgkosten uit eigen zak betalen. Minister De Block noemt de studie “een onderbouwde bijdrage”. Maar ze gaat er verder niet op in.

Dat de gezondheidszorg hervormd moet worden wil ze betaalbaar blijven is een understatement. Tegen 2040 zal de kost stijgen met 18,3 miljard euro. Vooral de vergrijzing kost geld: 8,3 miljard euro. Komen daarbij de innovatieve technologieën : 5 miljard. De Vlaamse werkgeversorganisatie rekende een en ander uit en zat op slag rechtop in bed omdat een deel van de koek door de werkgevers betaald moet worden. De groeinorm van 1,5 % die de overheid voorziet voor de gezondheidszorg dekt een deel van de meerkost – tegen 2040 levert ze 10 miljard euro aan extra middelen op. Maar dat betekent dat er nog steeds 8,3 miljard gezocht moet worden. VOKA legt de kaasschaaf opzij en kiest voor de grote transformatie. “En daarbij moet iedereen geresponsabiliseerd worden”, zegt topman Hans Maertens. “Patiënten, burgers, instellingen en zorgverleners.”

VOKA haalt daarvoor bekende oplossingen aan, die uit als het ware uit het maoïstisch receptenboek komen. Zo wil de werkgeversorganisatie de deconventionering afschaffen. Specialisten moeten zich aan de afgesproken ereloontarieven houden en mogen geen supplementen aanrekenen want … die zetten aan tot overbehandeling . Artsen – die per prestatie betaald worden – willen immers niet liever dan bijkomende behandelingen uitvoeren. Overigens luidt de redenering dat de arts niet meer ereloon mag aanrekenen binnen ons zorgsysteem dat de zorgverleners voor 80% subsidieert? Artsen worden dus niet betaald voor hun prestatie maar worden gesubsidieerd, alsof het –in de visie van VOKA- acteurs zijn die in een gesubsidieerd theater spelen.

Nog een heilig huisje dat VOKA wil slopen, is het remgeld, het bedrag dat de patiënt voor een behandeling uit eigen zak betaalt. Het is alsof we werkgroep Mordicus aan het woord horen: Volgens VOKA moet het remgeld bepaald worden door het nut van de behandeling. Het is dus afhankelijk van ‘goede’ of ‘slechte’ zorg. Preventieve zorg moet gratis zijn en moet gestimuleerd worden via kortingen in aanvullende verzekeringen, want preventie bespaart tot 2,5 miljard in de gezondheidszorg. Behandelingen die niet nodig zijn, moet de patiënt zelf betalen. VOKA kijkt naar het ongepaste gebruik van spoeddiensten, onnodige CT-scans en chirurgische ingrepen of overmatig gebruik van antibiotica. Niet alleen de patiënt wordt geviseerd, maar ook de arts die ongeremd geneesmiddelen voorschrijft die geen soelaas brengen. Hij riskeert een financiële sanctie. Er zal dus een gezondheidspolitie moeten ingericht worden. Wie die zware taak op zich gaat nemen laat zich raden…

Maar ook de patiënt wordt niet gespaard: VOKA pleit voor een verplichte franchise van 177 € die elke patiënt elk jaar uit eigen zak moet betalen. Ongeacht om welke behandeling het gaat. Iedere Belg moet die som verplicht op een zorgspaarrekening plaatsen. Overschot kan je overdragen naar het volgende jaar. Overschrijd je die kost, dan geldt de huidige financiering. Een zorgbelasting dus. Een kadastraal inkomen op uw leven. Die maatregel zou volgens VOKA 1 miljard euro kunnen vrijmaken, geld dat anders en beter benut kan worden binnen de zorg.

Minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open Vld) blijft er kalm bij en laat dat geweld aan zich voorbij gaan. Zij werkt volop aan ‘haar’ hervorming van ons zorgmodel. Geen makkelijke opdracht, zegt ze. “Maar we mogen onze kop niet in het zand steken.” Ze gaat niet in op de taboes van VOKA, maar reageert: “Zeer interessant maar gaat u verder.” CM-topman Luc Van Gorp is gewonnen voor een afbouw van de ereloonsupplementen – mits overgangsmaatregelen. Op de andere voorstellen, die de patiënt raken, gaat hij niet in.

Dokter, u hebt het woord.

Marc van Impe

 

Bron: MediQuality