Geneeskunde in postindustriële tijden

We zitten op het terras in de bocht van onze Waalse rivier en hebben het in de aanloop van de artsenverkiezingen over de staat van de geneeskunde en de laatste folie van Luc van Gorp: je moet niet gezond willen zijn, je moet gelukkig zijn.

Met de geneeskunde van vandaag is niemand gelukkig, zegt mijn vriend de huisarts, die sinds zijn pensionering een fatalistisch pessimisme hanteert en oud fruitbomen met drastisch snoeien tot nieuw leven dwingt. Volgens hem is de geneeskunde totaal ziek. Hij krijgt veel bijval. Maar als ik de vraag stel, hoe het zover is kunnen komen, moet hij het antwoord schuldig blijven. Ik refereer naar de theorie van John Heskett. Die Britse econoom beschreef op een boeiende manier hoe de industriële maatschappij gebruiksvoorwerpen maar ook diensten naar de knoppen heeft geholpen.

De jager-verzamelaars maakte zijn eigen gereedschap en was zijn eigen geneesheer. Omdat hij tegelijk gebruiker, ontwerper en maker was, kon hij zijn eigen gebruikersinzichten optimaal verwerken. De sedentaire boer deed een beroep op ambachtslui en op de sjamaan. Dat waren de eerste specialisten in hun vak. Zij genoten een opleiding, gingen in de leer en bewaakten angstvallig hun waardvolle kennis.

Gebruiker en maker, net als arts en patiënt, waren nu twee verschillende personen. En nu komt er een derde actor: ik gebruik het voorbeeld van een stoel. Bij de overgang naar industriële productie, viel de rol van meubelmaker ook uiteen: de ontwerper bedacht hoe de stoel eruit moest zien en de arbeiders van de producent maakten die. De consument had het te nemen of te laten. Net hetzelfde gebeurde al veel eerder met de geneeskunde. De academie bedacht hoe de geneeskunde eruit moest zien, de artsen pasten de theorie toe en de patiënt had het te nemen of te laten. Tussen academie en arts, kwam begin vorige eeuw de regulator die zich de rol van producent toe-eigende.

In deze postindustriële tijd ontstond een nieuw fenomeen: de gebruikersfeedback. Mensen waren de saaie, gebruiksonvriendelijke producten beu. Ze willen hun interieur zelf inrichten, met hun feedback moet de producent rekening houden. De ontwerper pretendeert die feedback perfect te begrijpen en vertaalt die in ontwerpen die de producent uitvoert. Daarnaast krijgt de consument opnieuw belangstelling voor vintage, artisanale of originele stoelen.

Maar in de geneeskunde heeft de producent geen boodschap aan die feedback en kan hij zich die houding permitteren omdat hij over een quasi monopolie beschikt. In je eigen huis pas je voortdurend van alles aan, dat kan je verbouwen. Zo optimaliseer je je oorspronkelijke ontwerp steeds verder. Dat kan, want je bent én gebruiker én ontwerper en als je ook maar een beetje handig bent ook maker. In de geneeskunde kan dat niet. Daar willen de producent, de overheid, en zijn marketeer, de verzekeraar, de regie over de maker en de markt blijven houden. Daar dienen regels en richtlijnen voor. De academie speelt daar graag in mee.

De voorbije decennia is de consument zich echter gaan realiseren dat hij eigen ideeën heeft over de diensten die hem verkocht worden. Daarvoor richtte hij patiëntenbelangenverenigingen op.

Je gaat kort door de bocht, zegt de huisarts, maar ik volg je. De eerste kajaks komen de rivier afgevaren. Achter de berg aan de overkant stapelen zich wolken op. De vogels fluiten. De artsensyndicaten hebben op hun beurt Twitter ontdekt. Onze smartphones tsjilpen. Achter ons blèrt een Fransman, wereldberoemd in de Ardennen, zoals dat hier alleen kan:

“Et tu chantes, chantes, chantes ce refrain qui te plaît,

Et tu tapes, tapes, tapes, c’est ta façon d’aimer,

Ce rythme qui t’entraîne jusqu’au bout de la nuit

Réveille en toi le tourbillon d’un vent de folie”

We besluiten nog een rondje Orval te nemen.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Advertenties

Chemotherapie bij borstkanker bij 70% onnodig

Duizenden borstkankerpatiënten hoeven na chirurgie geen chemotherapie, zo blijkt uit een studie die gisteren op ASCO werd voorgesteld. Het bespaart hen de bijwerkingen van de behandeling, zoals haaruitval, braken, onvruchtbaarheid en zelfs hartfalen. En bovendien bespaart Volksgezondheid zo 30.000€ per patiënt.

Uit de Tailorx trial, een 21-genen assay door professor Joseph Sparano van het Montefiore Medical Center in de Bronx, NY, kan ongeveer 70 procent van de patiënten die zijn gediagnosticeerd met de meest voorkomende van borstkanker zonder bijkomende chemotherapie. De onderzoekers brachten negen jaar lang bij 10.273 vrouwen met borstkanker (hormoonreceptor positief, HER-2 negatief) de activiteit van de genen in kaart, die wordt uitgedrukt in een score tussen 0 en 100. Uit eerdere studies is bekend dat een lage score (10 of lager) betekent dat vrouwen geen chemotherapie nodig hebben; bij een score van hoger dan 25 is dit juist wel het geval. De meeste vrouwen vallen echter in het interval 11 tot 25. De studie, onder leiding van het Montefiore Medical Center in New York, wees vrouwen met tussenscores ofwel chemotherapie plus hormoonbehandeling ofwel alleen hormoonbehandeling toe. Na ongeveer zeven jaar follow-up, waren de cijfers van ziekte – vrije overleving, kankeruitbreiding en algemene overleving bijna identiek. Alleen vrouwen jonger dan 50 jaar met scores tussen 16 en 25 bleken baat te hebben bij chemotherapie.

De trial van Sparano e.a. laat zien dat deze vrouwen, zeker als in de leeftijdsklasse van 50 tot 75 jaar vallen geen baat hebben bij deze behandeling. Voor vrouwen jonger dan 50 gaat dat op bij een score van 15 of lager. Er bestaat dus een grote “tussengroep” van patiënten gevonden voor wie chemotherapie na de operatie geen voordelen biedt en die veilig kan worden behandeld met uitsluitend hormoontherapie. Als de besluiten van de studie worden geïmplementeerd zal in de toekomst nog geen derde van de vrouwen met de meest voorkomende vorm van borstkanker nog chemotherapie krijgen, tegen nu de helft.

De vrouwen ondergaan de Oncotype DX test, die op de tumorbiopsie gebaseerd is, die tijdens chirurgie wordt genomen,en analyseert 21 genetische tellers in de kankercel. De monsters worden naar een laboratorium in Redwood (Californië) gestuurd en de resultaten worden binnen twee weken teruggestuurd naar oncologen. Het gevolg van onze ontdekking is groot, zei professor Joseph Sparano gisteren aan The New York Times: “De resultaten geven aan dat we ongeveer 70 procent van de patiënten die normaal gezien in aanmerking zouden komen voor chemotherapie, die behandeling kunnen besparen. De MammaPrint geeft enkel een zwart-witresultaat, de TAILORx geeft gradaties aan. Daardoor kun je een genuanceerdere inschatting maken over het al dan niet geven van chemotherapie”.

Maar dat wil niet zeggen dat het aantal chemotherapieën nu plots drastisch zal dalen. Daarvoor is er namelijk nog een groot knelpunt: de prijs van die moleculaire test. De kans op herval van één patiënt inschatten met de TAILORx, kost zo’n 4.000 $. De MammaPrint is ongeveer even duur, bijna 3.000 €.

De resultaten werden gisteren gepresenteerd op de jaarvergadering van de American Society of Clinical Oncology in Chicago en gelijktijdig gepubliceerd in het New England Journal of Medicine.

Professor Jacques De Grève, medisch oncoloog van het UZ Brussel, woonde de voorstelling van de studie bij in Chicago en is enthousiast over de resultaten. De test die zij gebruikt hebben, de TAILORx, is volgens hem namelijk bruikbaarder dan de MammaPrint die bij ons al beschikbaar is . Maar toch tekent hij enig voorbehoud aan. “Mochten de tests goedkoop zijn, dan was ik de grootste voorstander. Helaas zijn ze dat niet en dan moet je prioriteiten afwegen. Want stel dat zo’n moleculaire test straks terugbetaald wordt, dan gaat dat ettelijke miljoenen kosten. Ik vrees namelijk dat de test veel meer gebruikt zou worden dan strikt noodzakelijk is. Er is ook een goedkope pathologietest beschikbaar, die het hiaat voor een groot stuk kan opvangen.” Aldus De Grève in De Morgen.

Aangezien de sociale zekerheid in een krimpscenario zit, twijfelt De Grève of een terugbetaling wel zo aangewezen is. “Mijn collega’s zullen het niet graag horen, maar het is de realiteit. We zijn nu bijvoorbeeld heel blij met de terugbetaling van de immunotherapie, die willen we toch ook niet opgeven?”

De Grève hoopt dat het een oplossing kan zijn om de verschillende producenten van dergelijke tests tegen elkaar uit te spelen en een maximumaantal tests op te leggen. “Op die manier kan de prijs dan hopelijk wel gedrukt worden voor de patiënt.”

Minister De Block wil de resultaten van het onderzoek eerst bestuderen. Er moet eerst absolute zekerheid zijn over de betrouwbaarheid van de tests, klinkt het, alvorens er verdere maatregelen genomen kunnen worden.

https://www.nejm.org/doi/full/10.1056/NEJMoa1804710

Marc van Impe

Bron: MediQuality

 

De mythe over kankervlees is protestants bijgeloof

Over vlees worden elke dag nieuwe misverstanden gepubliceerd. Zo verscheen gisteren het bericht op de radar dat uit Spaans onderzoek zou blijken dat mensen die alleen kant-en-klare maaltijden eten waarin uiteraard vlees verwerkt werd, mogelijk een groter risico lopen op borstkanker. De wetenschappers “vonden” dat de vrouwen die een “ontstekingsdieet” volgden, dat deegwaren, rood en verwerkt vlees en volle zuivelproducten omvat, 39 % meer kans hebben om borstkanker te ontwikkelen.

En te pas en te onpas wordt daar het geruchtmakende IARC Meat Report uit 2015 bij gesleurd. Voedingswetenschappers zijn die situatie beu. Het is niet omdat beunhazen die te pas en te onpas in de media worden opgevoerd populaire nonsens vertellen dat de waarheid geweld mag aangedaan worden. De jongste campagne van Greenpeace is daar een schoolvoorbeeld van. Het gaat hem niet om de gezondheid van de burger maar om de financiële gezondheid van de NGO.

Laten we beginnen met de omgekeerde (Vlaamse) voedingsdriehoek, waar onverwerkt vlees helemaal onderaan, naast boter, wordt gecatalogeerd. Vleeswaren, dus alles wat verwerkt is, staan zelfs helemaal buiten de driehoek. Met daarbij de expliciete waarschuwing dat je er “zo weinig mogelijk” mag van eten. Die voedingsdriehoek heeft minder met wetenschap dan met sectair geloof te maken want het idee dat vlees zo niet gemeden dan wel vermeden moet worden, komt van Ellen White, voorgangster van het Kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten.

Deze 19de eeuwse sekte geloofde dat Jezus op 22 oktober 1844 terug zou komen op aarde. Quod non. Daarop kreeg mevrouw White een visioen waarin Jahweh haar vertelde dat hij zich ontzettend stoorde aan de eetgewoonten van haar tijdgenoten. Het liefst zag hij de spijswetten zoals die beschreven staan in Leviticus 11 (onder meer geen paarden- en varkensvlees, geen garnalen en geen ongeschubde vis) opnieuw ingevoerd. Mevrouw White wou de Here extra plezier doen en voegde rundsvlees, ham en worstjes aan het lijstje toe. Kosjer of halal eten, was maar half werk.

Voor de onderbouwing van de adventistische voedingstheorie wordt onder meer verwezen naar de 1 Korintiërs 6:19-20. Daarin wordt beschreven dat het lichaam een tempel is van de Heilige Geest, dat God eigenaar is van dit lichaam en dat mensen God met dit lichaam eer moeten bewijzen, en daarom moeten de adventisten deze tempel ook wat betreft voeding zo zuiver mogelijk houden en om zo “de Schepper verhogen”.

Maar een theorie werkt pas als ze een wetenschappelijke onderbouwing krijgt: daarom richtten de Adventisten universiteiten op zoals het Kettering Medical Institute en het Orlando Institute of Health die de propagandamachines geworden zijn van vegetariërs, flexitariërs en veganisten.

Om de haverklap wordt onze mailbox overstroomd met belangrijke studies die het nut van deze heilsdiëten onderstrepen en die graag geciteerd worden in de media. Dat nota bene de cornflakes, de minst aangeraden gefabriceerde voeding, uitgevonden werden door de zevendedagsadventist John Harvey Kellogg (1852-1943) niet zo goed passen in hun gerichtheid op gezonde voeding, wordt daarbij zuinigjes verzwegen. Kellogg was ook de uitvinder van de pindakaas. Er zijn ondertussen Adventistische universiteiten op alle continenten die bijna allemaal de Health Sciences in hun vaandel voeren.

Professor ir. Frédéric Leroy (VUB), ook voorzitter van de Belgian Association of Meat Sciences & Technology (BAMST), krijgt er een punthoofd van. De Greenpeace-campagne rond Maya de Bij, die sigaretten uitdeelt aan kinderen, wou er nog eens de aandacht op vestigen. Wie verwerkt vlees eet, krijgt geheid kanker, zegt Greepaece en verwijst daarbij naar de nodige wetenschappelijke data van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die inderdaad lijkt te stellen dat verwerkt vlees behoort tot de zogenaamde groep 1: ‘kankerverwekkend voor mensen’.

Professor Stefaan De Smet (UGent) werkte mee aan een rapport van het International Agency for Research on Cancer (IARC), waar het WHO zich dan weer op baseert. “Greenpeace heeft de wetenschappelijke data daar misbruikt”, zegt De Smet. “De IARC heeft gesteld dat een hoog verbruik van vleeswaren een licht verhoogd risico op darmkanker inhoudt. Maar dan moet het al meerdere keren per dag op het menu staan. Ik vergelijk het graag met zonlicht. Overdreven blootstelling is zeker schadelijk, maar dat betekent niet dat je niet in de zon mag lopen. Integendeel. Je kunt dus niet zomaar stellen dat alle vleeswaren ongezond zijn.”

In hetzelfde rapport van het IARC (uit 2015 dat een meta-analyse is van 800 wetenschappelijke studies, probeerden de onderzoekers uit te vinden hoe sterk het verband is tussen rood vlees en dikkedarmkanker, maar dat bewijs bleef uit. Uit het rapport bleek vooral dat het eten van meer of minder rood vlees een relatief effect heeft op je kans om kanker te krijgen. Als iemand per dag 100 gram meer rood vlees eet, dan stijgt die kans met 17 procent. “Dat betekent dus niet dat je het niet meer mag eten”, zegt De Smet.

“Rood vlees heeft wel degelijk een plaats in ons dieet, maar je moet de voordelen afwegen tegenover het risico. Daarom zegt de WHO dat het prima is om tot 500 gram rood vlees te eten per week.” Ook het idee dat er een verband is tussen varkensvlees, cholesterol en hart- en vaatziekten blijkt niet te kloppen. Dit verband zag het licht in de jaren 50 en 60, op basis van onderzoek dat toen uitwees dat er een “hypothetisch” verband was tussen de drie.

Verzadigde vetzuren en cholesterol zouden gif zijn. Die hypothese is ondertussen meermaals ontkracht. Zegt professor De Smet: “De cholesterol die je via de voeding inneemt is verwaarloosbaar in vergelijking met wat je lichaam sowieso al aanmaakt.”

Marc van Impe

https://en.wikipedia.org/wiki/Seventh-day_Adventist_Church

http://www.bamst.be/publications/

Bron: MediQuality

Grote gezinnen bezorgen moeders een zwak hart

Moeders met drie of meer kinderen dragen een groter risico om een hartaanval te krijgen, zo blijkt uit een nieuwe studie. “Hoe meer kinderen een vrouw heeft, hoe groter de kans dat ze een hartaanval of beroerte krijgt. De inspanning bij het dragen en het tillen van een kind schijnt slecht te zijn voor het hart”, zegt Clare Oliver-Williams, van de Universiteit van Cambridge.

“Bovendien blijkt het grootbrengen van kinderen, ook zeer stressvol te zijn.” Zij bekeek de gegevens van 8.583 vrouwen tussen 45 en 64 jaar die gedurende drie decennia werden gevolgd, waarbij 843 vrouwen een hartaanval kregen, 750 een CVA opliepen en 1352 hartproblemen op lange termijn ontwikkelden.

In procenten uitgedrukt betekent dit dat vrouwen met vijf of meer kinderen 38 % eerder in het ziekenhuis terechtkwamen met een hartaanval, 29 % maakte meer kans om aan een hartkwaal te lijden, 17 % kreeg eerder hartritmestoornissen en 25 % kreeg eerder een CVA.

Dat borstvoeding bescherming zou bieden tegen cardiovasculaire risico’s kon niet bevestigd worden.

De resultaten werden dit weekend voorgesteld op de conferentie van de British Cardiovascular Society in Manchester .

https://www.cardiovascular.cam.ac.uk/directory/coliver-williams

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Wat heb je aan een minister die trots is?

Ik hoor een minister van Werk zeggen dat hij trots is op wat hij bereikt heeft. Er zouden minder langdurig zieken zijn. Dankzij zijn beleid. Een halfuur daarna weet ik al dat dit hol gezwets is. Zie mijn andere column. Trots?

Mijn kleindochter werd op een auditie geselecteerd voor het Koor van de Munt. Dit is echt waar. Ik ben apetrots. Wat me bij de gedachte brengt: Wat is trots eigenlijk? En waar is het nuttig voor?

Volgens de filosoof Thomas Hobbes in Leviathan (1651) is trots de vreugde die ontstaat door iemands voorstelling van zijn eigen macht en bekwaamheid, het “is die opgetogen stemming die we trots noemen”. „Als trots gegrond is op ervaring en op het verrichten van daden, is er geen verschil met zelfvertrouwen,” zegt Hobbes. “Maar als zij het gevolg is van het gevlei van anderen, of als iemand zich voorstelt dat hij tot grote daden in staat is louter om van deze gedachte te genieten, dan spreekt men van ijdelheid.” En met ijdelheid bedoelt Hobbes leegheid, ontdaan van inhoud. „ Een macht die alleen in iemands verbeelding bestaat, zet niet aan tot daden in tegenstelling tot gegrond zelfvertrouwen.”

Het individu is bij Hobbes geen superman, geen held en geen wijze, maar een anti-held, zoals onze minister bezeten van de wil zichzelf in stand te houden. Er is weinig verheffends aan het intermenselijke verkeer tussen hem en de lafhartige, zelfzuchtige trollen die met nepnieuws het internet teisteren: samen voeren ze een une comédie, une tragicomédie humaine op. Ze verscheuren elkaar zodra hun egoïstenharen overeind staan. Het zijn wolven. Een somber mannetje die Engelsman. Van hem is ook het gezegde: De mens is gelijk een wolf in relatie tot de medemens.

Ik denk dat in het dagelijks leven mijn zelfvertrouwen zich heel vaak ergens tussen de gegronde en de ijdele trots balanceert. Het gevlei van anderen neem ik als een voorschot op de gegronde trots. Feitelijk steunt deze trots nog niet op ervaring en verrichtte daden, toch is ze ook niet helemaal ijdel.

Iedereen is tegenwoordig trots. Maar waar zit dat? Ik bedoel, hoe voel je dat? Hoe wéét je dat je trots bent? Is trots niet één van die uitwassen van de sociale media? Kan je trots zijn op 124 likes? Op 1.000 volgelingen? Is een selfie niet hét voorbeeld van ijdele trots? Is trots dan geen vorm van narcisme? En waarom maakt trots me ongemakkelijk?

Toen ik nog in god geloofde en in het weekend naar de jeugdbeweging ging werd ik verondersteld trots te zijn op mijn uniform, op ons vaandel, op de groep waar ik deel van uitmaakte. Het is mij nooit gelukt. Mijn trots raakte maar niet verbonden met de collectieve maat, waarmee ik me moest onderwerpen aan de belangen van de groep. Ik ontleende mijn trots in de eerste plaats aan mijn individuele autonomie. De „eigen macht en bekwaamheid” die volgens Hobbes de opgetogen stemming is „die we trots noemen” schuilt juist in de mogelijkheid zichzelf de wet te stellen, los van de ander. Ik wil de eer aan mezelf te houden, in een wereld zonder god.

Als ik trots ben op mijn kleindochter, is dat omdat ik haar wil aanmoedigen en ook graag wat van haar succes meeneem. Als de minister trots is op iets wat hij niet bereikt heeft dan vraagt hij om ons gevlei en wil hij alleen uw stem meenemen.

Marc van Impe

Bron: MediQuality

Bij het levenseinde past geen simpele taal

Mijn moeder (93) gaat naar een zorgcentrum. Ze wil niet langer afhankelijk zijn van een alarmbandje dat de helft van de tijd niet werkt en uit moet als ze slapen gaat. Het is goed geweest, zegt ze.

Dat brengt me bij de vraag over voltooid leven. Heb je na het baren van acht kinderen en het overleven van een man als mijn vader genoeg gedaan? Of is er nog een niet onthulde opdracht die ergens ligt te wachten? Ik erger me vaak over de versimpelde taal waarmee in dit land het debat gevoerd wordt. Ik heb een hekel aan de versluierende taal bij het levenseinde die zowat iedereen die in deze laatste acte optreedt, meent te moeten hanteren. Het gruwelijkst is de soort van dichterij die op een santje staat: het ‘voltooide leven’.

Nee, het levenseinde is anders heb ik geleerd. Vaak willen mensen gewoon weg. Zij nog niet. Nu nog niet. De jurist Huib Drion had het in zijn inmiddels roemruchte essay in 1991 van een deprimerende ‘levensaversie’. Het pijnlijke woord ‘zelfmoord’ heet nu “uit het leven stappen”. Euthanasie heet “afscheid nemen”. Ik hoor een senator die nog groen achter zijn oren is, het hebben over mensen die lijden ‘aan het leven’ zelf. Nog vreemder vind ik ‘een volwaardig leven’. Is het onwaardig om ziek te zijn? Om behoeftig te zijn? Aan hulp nodig hebben? Zijn alleen mensen die zichzelf kunnen redden het ‘waard’ om te leven?

Steeds vaker gaat het over het ‘voltooid leven’ en het ‘waardige levenseinde’. En dan de vraag van naastbestaanden of alles ‘geregeld’ is. Ik zie in de zorginstelling die in de tuin van een voormalig klooster gebouwd werd, weinig mensen die ‘waardig ouder worden’ en bij wie naar mijn inziens het waardige levenseinde beter ‘geregeld’ had kunnen worden. Als vrijzinnigen gaan voor een ‘waardig’ levenseinde, laten christenen mensen dan over aan een ‘onwaardig’ levenseinde? Voor mij zijn dit allebei ongelukkig gekozen eufemismen. En wat bedoelt men eigenlijk met ‘waardig sterven?’ Dat is het drama van deze sentimentele samenleving: versluiering, slordig taalgebruik, wat leidt tot misverstanden. ‘Ouderenzorg’ heet dat gewoonweg, en laten we het daar maar bij laten. Laat dat ‘waardig ouder worden’ en ‘voltooid leven’ maar los. Het zou getuigen van eerbied voor hen die worstelen met de ‘onwaardigheid’ en de ‘onvoltooidheid’ die het leven soms kent.

We mogen dan wel veel autonomie en keuzevrijheid hebben, zeker een arts weet dat het leven zich niet altijd laat uitstippelen. Je mag de patiënt zoveel responsabiliseren als je wil, hij zal nooit kunnen bepalen hoeveel kansen en talenten hij krijgt. Of hem de echte liefde te beurt zal vallen en wanneer dan wel. Of hij überhaupt plannen maakt en hij die plannen zal kunnen voltooien voordat de dood komt. Totale zelfbeschikking is een sprookje, een overblijfsel van een al te rationalistisch wereldbeeld. Sören Kierkegaard zei ooit dat het leven alleen achterwaarts kan begrepen worden, maar voorwaarts moet worden geleefd, en poneerde voorzichtig dat als God dan toch de eindbestemming van de mens is, de weg daarnaartoe zeker een haast absurde ‘sprong in het diepe’ is. Het leven is onoverzichtelijk en is het toch overzichtelijk dan is het saai.

Mijn moeder heeft geen saai leven gehad. Er vallen grote stiltes, en dan willen we allebei gelijk toch iets zeggen. Zij heeft nu het absolute recht niet te luisteren. Ik denk aan Bob Dylan: So let us not talk falsely now, the hour is getting late. Ik geef me rekenschap van de waarde van mijn woorden. Want onzuivere taal is een recept voor miscommunicatie en frustratie. Daar is nu geen tijd meer voor.

Dan zegt ze dat wij na haar maar moeten doen wat zij heeft nagelaten. Dus toch een verborgen opdracht.

Ze heeft een paar jaar geleden haar wilsbeschikking rondgemaild. Ze is helder in het hoofd maar heeft bij haar vrienden gezien welke verwoesting Geras, de zoon van Nyx, kan aanrichten.

De Nederlandse artsenfederatie KNMG sprak in 2004 van „lijden aan het vooruitzicht om verder te moeten leven op een zodanige manier dat daarbij geen kwaliteit van leven meer wordt ervaren”. Dat wil ze niet. En nee, ze wil ook geen cardiovasculair ingreepje meer.

Marc van Impe

Meer info:

Euthanasie bij mensen die ondragelijk lijden door een psychiatrische aandoening staat vandaag opnieuw ter discussie. Op 7 juni 2018 lichten Prof. dr. Johan Braeckman, Prof. dr. Wim Distelmans en drs. Frank Schweitser het artikel ‘Als het psychisch lijden uitzichtloos en ondraaglijk is’ toe en gaan ze in op verschillende ethische, medische, juridische en praktische aspecten ervan. De lezing gaat door in Lokaal R014 Stadscampus van de Universiteit Antwerpen, Rodestraat 14, 2000 Antwerpen . onthaal vanaf 19.30 uur, lezing 20.00-22.00 uur. Graag inschrijven bij jurgen.slembrouck@uantwerpen.be

Bron: MediQuality

Stagnatie langdurig zieken niet gevolg van re-integratie

Nee, de kanteling van de grafiek langdurig zieken is niet, of toch zeker niet helemaal, te wijten aan het succes van de re-integratiecontracten. De re-integratiecontracten willen weliswaar de 400.000 langdurig zieken terug op de arbeidsmarkt brengen, maar de werkelijke oorzaak van de tendensbreuk is de demografie.

En wie een beetje zijn cijfers bijhoudt wist dat dit er aan zat te komen. De laatste lichting babyboomers in de leeftijdsgroep 55 tot 65 jaar, waar invaliditeit verhoudingsgewijs meer voorkomt, heeft nu de leeftijdscategorie 65-75 bereikt en is dus officieel niet langer beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Met statistiek kan je alles bewijzen, zei mijn goede vader, Q.E.D..

Voor doemdenkers zag het er lang naar uit dat het bergafwaarts ging met onze maatschappij. In 2000 telden we “amper” 200.000 langdurig zieken. Van re-integratie was toen geen sprake. Integendeel wie langdurig ziek was en toch deeltijds aan de slag wou, al was het maar om mentaal niet te verstoffen, én om de royale uitkering van nog geen 800€ aan te vullen, verloor of zijn gegarandeerd “inkomen” of werd door de nijvere inspecteurs van het Riziv voor de rechter gesleurd.

Tot het aantal langdurig zieken in ons land vorig jaar de grens van 400.000 mensen overschreed. Alleen al deze legislatuur al kwamen er 100.000 langdurig zieken bij. Waarop in 2016 de toverformules re-activatie en re-integratie uit de kast gehaald werden. Of dat veel invloed heeft is zeer de vraag: in de leeftijdscategorie vijftig- en vijfenvijftigplus wordt een mens verhoudingsgewijs meer ziek, leert professor-emeritus Jozef Pacolet van het Leuvense Hoger Instituut voor de Arbeid. Het HIVA verricht wetenschappelijk beleidsgericht onderzoek dat heel concreet kan inspelen op actuele vragen van beleid, onder de slogan “We doen onderzoek dat werkt!”.

“Dat de stijging nu aan het vertragen is, komt omdat de babyboomers uit de leeftijdscategorie 55 tot 65 jaar nu opschuiven naar de categorie 65-75.” Het feit dat we nu om en bij de 400.000 langdurig zieken zitten heeft weinig of niets te maken met toenemende stress en ongezonde werkomstandigheden maar met het andere statistische gegeven dat de pensioenleeftijd voor vrouwen in 2015 nog maar eens werd opgetrokken en de grotere arbeidsparticipatie sinds enkele decennia van vrouwen. Komt daarbij dat niet iedereen werkt tot de pensioenleeftijd. Sommige werknemers nemen de bluts met de buil en slikken het lagere pensioen door en stappen dus vroeger uit de arbeidsmarkt.

De ministers Peeters en De Block die nu figuurlijk op hun borst kloppen hadden ook beter de rapporten van het Riziv gelezen, dat jaren geleden al voorspelde dat op een bepaald moment de kentering er aan zou komen. Uit een steekproef in 2016 bij 3.727 langdurig zieken die begeleid werden in de periode 2011-2015, bleek dat 29 % uitstroomde naar werk, 12 % kwam in de werkloosheid terecht en 59% bleef arbeidsongeschikt. “De beste trajecten en inspanningen kunnen mensen niet genezen,” verklaart professor Pacolet. “Uit de cijfers blijkt dus dat een kuur bij de VDAB mensen niet geneest.” Wat wel geneest is werkervaring, dus wie voorafgaandelijk werk had, bleek 35 % kans te hebben om nadien terug aan de slag te gaan. Omgekeerd is dat 22 %. En wie een opleidingstraject volgde, had meer kans om werk te vinden.

Waarmee ik zeker niet wil beweren dat de re-integratietrajecten geen zin hebben. Het is systeem is nog jong en moet nog tot maturiteit komen. Ook moet de mentaliteit van de langdurig zieke bijgesteld worden. De tendensverschillen in Vlaanderen en Franstalig België zijn wat dat betreft significant. Ook moeten zowel werkgevers in de privé sector als de overheid zelf, vooral op regionaal niveau, wennen aan de nieuwe opportuniteiten. Zo moet de overheid afleren om langdurig zieken in plaats kans op een gedeeltelijke re-integratie te bieden, definitief op pensioen te stellen. Het perverse resultaat daarvan is niet alleen dat de langdurig zieke soms met een belachelijk laag pensioen te maken krijgt voor de rest van zijn leven, maar ook dat elke kans bij deelname aan een re-integratieprogramma uitgesloten wordt.

Een woordvoerder van minister Maggie De Block liet weten dat cijfers van het aantal langdurig zieken die terug op de arbeidsmarkt komen via een re-integratietraject nog niet voorhanden zijn. De Nationale Arbeidsraad (NAR) moet zijn huiswerk nog maken. De ziekenfondsen moeten de trajecten nog in kaart brengen. En het RIZIV laat weten in juni over deze kwestie te communiceren. Nog twee keer slapen dus.

Marc van Impe

Bron: MediQuality